In Belém stond Suriname niet alleen op het podium met mooie woorden over bos, maar ook met technische mensen die cijfers, meetmethoden en onderhandelingstekst overeind houden wanneer de druk oploopt. De Stichting voor Bosbeheer en Bostoezicht, het technische werkinstituut van het ministerie van Grondbeleid en Bosbeheer, schoof binnen de Surinaamse delegatie nadrukkelijk naar voren met expertise in bosmonitoring, REDD, mitigatie en internationale rapportage, waarbij René Ali Somopawiro en Consuela Paloeng de inhoud leverden die een positie geloofwaardig maakt.
Somopawiro zette in verschillende sessies de lijn uit dat bosbeheer in Suriname niet los te zien is van water, gezondheid en bestaanszekerheid, zeker in grensgebieden waar rivieren en ecosystemen zich niets aantrekken van kaarten. In het BIO PLATEAUX verband legde hij het verband tussen waterstromen, bosgezondheid en gemeenschappen, en benoemde hij tegelijk de kwetsbaarheden die in Suriname steeds vaker samenkomen, zoals kwikvervuiling, sedimentatie en klimaatdruk, met de Maroni als bekend voorbeeld waar samenwerking en data uitwisseling al langer lopen.
Op het ministeriële spoor bij ACTO werd de boodschap regionaler, omdat Suriname daar de nadruk legde op gezamenlijke monitoring, datadeling en technologische vernieuwing in het bredere Amazonegebied. De goedkeuring van een nieuwe projectfase rond bossen en klimaatverandering werd door Suriname aangegrepen als signaal dat de regio de stap moet zetten van meten naar handelen, met systemen die niet alleen rapporteren maar ook vroeg waarschuwen en bijsturen.
Parallel aan die beleidslijn speelde Paloeng een stevige rol in het formele klimaatdossier rond Artikel 6.2, het mechanisme dat landen in staat stelt om internationaal samen te werken met emissiereducties en die ook mee te tellen richting nationale klimaatdoelen. Suriname zette daarbij in op eerlijke waardering van natuurlijke koolstofopslag in bosrijke landen, en op voorspelbare, resultaatgebonden financiering die duurzaam bosbeheer minder afhankelijk maakt van losse projectgelden en meer van goedgekeurde prestaties.
De kern van de Surinaamse inzet bleef daarmee opvallend want wetenschap en beleid moeten elkaar sneller vinden, en afspraken moeten uitvoerbaar blijven in het veld, anders verdwijnt het bosdossier in papier en vergaderingen. Een land dat zijn bospositie wereldwijd wil laten meetellen, merkt dat het pas begint te werken wanneer meetdata, lokale betrokkenheid en heldere spelregels tegelijk op orde zijn, omdat investeerders, donoren en partnerlanden dan minder ruimte hebben om te twijfelen en meer reden krijgen om mee te bewegen.