De regering Simons/ Rusland wil de agrarische sector naar voren schuiven als een van de pijlers van de economische diversificatie van Suriname. Met de verwachte inkomsten uit de olie industrie wordt de noodzaak om de economie minder afhankelijk te maken van één sector. De landbouw moet daarbij een belangrijke rol spelen. Maar achter de ambitieuze woorden schuilt een sector die jarenlang is verwaarloosd en waarvan de problemen aanzienlijk dieper liggen dan een gebrek aan financiële ondersteuning of enkele nieuwe beleidsmaatregelen. President Simons erkent dat Suriname lange tijd onvoldoende heeft geïnvesteerd in de ontwikkeling van de agrosector. Daarmee wordt meteen een van de grootste obstakels zichtbaar. De achterstand die in tientallen jaren is opgebouwd, kan niet met enkele beleidsbesluiten worden weggewerkt. Gebrekkige infrastructuur, beperkte financieringsmogelijkheden, onvoldoende technische ondersteuning, achterblijvend landbouwonderzoek en een tekort aan goed opgeleide krachten hebben de concurrentiekracht van de sector aangetast. De regering zegt terecht dat herstel tijd vergt. Tegelijkertijd legt die constatering een zware verantwoordelijkheid bij het beleid. Een langetermijnvisie heeft alleen waarde als zij wordt vertaald in concrete investeringen, duidelijke prioriteiten en controleerbare resultaten. Het gevaar bestaat anders dat de agrosector opnieuw onderwerp wordt van ambitieuze beleidsverklaringen zonder dat de structurele knelpunten daadwerkelijk worden opgelost.
Het onderwijs moet volgens de president beter aansluiten op de behoeften van de landbouw. Nieuwe onderwijsinstellingen worden opgezet en bestaande opleidingen zouden moeten worden aangepast. Dat is noodzakelijk, maar opleiding alleen brengt geen landbouwproductie op gang. Jongeren zullen pas daadwerkelijk voor de sector kiezen als landbouw economisch aantrekkelijk, professioneel en toekomstbestendig wordt gemaakt. Zonder toegang tot grond, krediet, technologie, markten en betrouwbare infrastructuur dreigt goed opgeleid personeel uiteindelijk elders werk te zoeken. De rijstsector vormt ondertussen een belangrijk testgebied voor het landbouwbeleid. Rijstboeren krijgen meer financiële ondersteuning en de regering wil de Wakay pompen vervangen. Ook moet het Anne van Dijk Rijst Onderzoekscentrum Nickerie, Adron, opnieuw worden vormgegeven. Dit zijn relevante maatregelen, maar ze moeten deel uitmaken van een veel breder plan. De rijstsector heeft niet alleen behoefte aan geld en technische voorzieningen, maar ook aan voorspelbaar beleid, degelijk onderzoek, efficiënte waterhuishouding en toegang tot afzetmarkten. Daarbij komt dat voedselveiligheid en landbouwproductie steeds vaker tegenover elkaar lijken te worden geplaatst, terwijl beide juist onderdeel van hetzelfde beleid zouden moeten zijn. Het optreden tegen verboden landbouwchemicaliën en ongecontroleerde invoer van rijst is verdedigbaar wanneer daarmee gezondheid, kwaliteit en eerlijke concurrentie worden beschermd.
Maar handhaving zonder een geloofwaardig alternatief kan producenten eveneens treffen. Regels hebben pas effect wanneer boeren toegang hebben tot veilige middelen, informatie en ondersteuning om aan die regels te voldoen. Ook de aanpak van onbenutte landbouwgronden verdient meer aandacht. De regering wil grondgebruikers stimuleren hun grond zelf te benutten of aan anderen beschikbaar te stellen. Het uitgangspunt dat productieve landbouwgrond niet jarenlang ongebruikt moet blijven, is begrijpelijk. Toch ligt de oorzaak van braakliggende grond niet uitsluitend bij de eigenaar of gebruiker. Grond heeft weinig economische waarde voor een producent wanneer financiering ontbreekt, infrastructuur tekortschiet of productie onvoldoende rendeert. Een financiële prikkel of sanctie kan daarom nooit het volledige antwoord zijn. Hetzelfde geldt voor het Agrarisch Kredietfonds. Een beter functionerend kredietstelsel is noodzakelijk, maar landbouwkrediet moet gepaard gaan met begeleiding, marktinformatie en risicobeheersing. Anders kan krediet boeren opzadelen met schulden zonder dat hun productie structureel verbetert. De regering richt zich volgens president Simons op de periode tot 2027-2028 voor verschillende beleidsdoelen. Dat biedt een belangrijk ijkpunt.
Tegen die tijd moet niet alleen zichtbaar zijn dat plannen zijn opgesteld, maar vooral wat daadwerkelijk is gerealiseerd. Meer landbouwgrond in productie, hogere opbrengsten, betere irrigatie, sterkere landbouwcoöperaties, meer verwerkte landbouwproducten en een kleinere afhankelijkheid van import zouden meetbare resultaten moeten zijn. De verwachte olie inkomsten maken de urgentie groter, maar vormen tegelijk een risico. Als de regering landbouw werkelijk als fundament van economische diversificatie ziet, mag de sector niet afhankelijk worden van incidentele investeringen uit toekomstige oliegelden. Juist de olie inkomsten moeten worden gebruikt om duurzame productiecapaciteit op te bouwen, niet om tijdelijke tekorten telkens opnieuw te financieren. Suriname heeft inderdaad jaren nodig om zijn agrarische achterstand in te lopen. Dat is geen reden om resultaten uit te stellen, maar juist een argument om nu scherp te sturen. De geloofwaardigheid van het landbouwbeleid zal uiteindelijk niet worden bepaald door het aantal aangekondigde maatregelen, maar door de mate waarin boeren daadwerkelijk meer kunnen produceren, tegen concurrerende kosten en met een betrouwbare toegang tot de markt. De agrosector kan een belangrijke pijler van de Surinaamse economie worden. Maar daarvoor is meer nodig dan politieke ambitie. Het vereist jarenlang consequent beleid, investeringen, deskundigheid en vooral discipline om gemaakte plannen daadwerkelijk uit te voeren. De landbouw heeft geen behoefte aan nieuwe beloften, maar aan een overheid die haar beleid meetbaar maakt en zich daarop laat afrekenen.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK en Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com