Jamaica rekent na orkaan Melissa een pijnlijke balans op, want na jaren van zorgvuldig begroten en het opbouwen van een eigen klimaatbuffer blijkt dat spaarpotje amper een deuk te slaan in de schade van één verwoestende storm die het eiland op zijn grondvesten deed schudden.
Orkaan Melissa trok eind oktober als een allesvernietigende categorie 5 cycloon over het Caribische land, met een stormvloed van ruim vijf meter, orkaankrachtige wind en stortregens die plaatselijk tot bijna tachtig centimeter neerkletterden. Heuvels gleden weg, rivieren traden buiten hun oevers en in kustplaatsen werden woningen en bedrijven tegelijk geraakt door water en wind. De regering spreekt van een economische ravage van ongeveer tien miljard dollar, bijna een derde van de jaarlijkse productie, waarmee de schade de impact van de coronapandemie ruimschoots overstijgt.
Volgens Jamaicaanse en internationale klimatologen was Melissa geen klassieke orkaan meer maar een product van een opgewarmd klimaat. Berekeningen laten zien dat de storm ongeveer dertig procent krachtiger uitviel dan in een wereld zonder door mensen veroorzaakte opwarming en dat de kans op zo’n extreem weersysteem zes keer groter is geworden. In totaal raakten naar schatting honderd tweeënnegentig duizend gebouwen beschadigd en kregen toerisme en landbouw, de economische ruggengraat van het eiland, zware klappen die nog jaren zullen nawerken.
Op de klimaattop COP30 in Belém schetste kabinetsminister Matthew Samuda in duidelijke bewoordingen hoe klein de speelruimte is. Jamaica had de afgelopen decennia via onder meer een door de Wereldbank uitgegeven catastrofe obligatie en een parametervoorziening voor verzekeringen ongeveer vijfhonderd miljoen dollar aan bescherming opgebouwd, geld dat automatisch vrijkomt bij een ramp met de juiste kenmerken. Dat bedrag is inmiddels uitgekeerd, maar de resterende rekening van negen en een half miljard dollar hangt als een donkere wolk boven de begroting. Voor een land dat dertig jaar lang stap voor stap zijn schuldenlast terugbracht en dichter bij een kredietwaardigheid op investeringsniveau kwam, voelt het volgens Samuda als een mokerslag dat zoveel vooruitgang in vierentwintig uur kan worden uitgewist.
In Belém maakt de Jamaicaanse delegatie daarom een scherp onderscheid tussen verschillende vormen van klimaatfinanciering. Nieuwe commerciële leningen tegen marktvoorwaarden worden gezien als een valkuil, omdat zij de schuldenberg verder zouden vergroten op het moment dat het land zich juist wil wapenen tegen een toekomst met nog extremere orkanen, droogteperiodes, hittegolven en zeespiegelstijging. De roep is gericht op schenkingen, investeringen en zachte leningen met lange looptijden en lage rentes, waarbij zowel publieke fondsen als private kapitaalstromen een rol kunnen spelen. Samuda benadrukte dat Jamaica niet met een bedelnap naar de top komt maar als een land dat relatief weinig heeft bijgedragen aan de wereldwijde uitstoot en nu de gevolgen van andermans keuzes aan den lijve ondervindt.
De discussie over Jamaica past in een bredere worsteling op COP30, waar ontwikkelingslanden aandringen op concrete stappen om de financieringskloof voor adaptatie te dichten. De Verenigde Naties schatten dat kwetsbare landen tegen het midden van het volgende decennium gezamenlijk minstens driehonderd tien miljard dollar per jaar nodig zullen hebben om zich te kunnen aanpassen aan de nieuwe klimaatrealiteit, van dijken en drainage tot klimaatslimme landbouw en robuuste energievoorziening. Beleidsadviseurs van denktanks waarschuwen dat de top niet kan eindigen zonder stevig besluit over adaptatie, omdat het wereldbeeld anders blijft hangen in beloften die niet worden omgezet in bescherming op de grond.
Tegelijk groeit de markt voor innovatieve instrumenten zoals hoogwaardige koolstofverwijdering en klimaatobligaties, al komt de schaal daarvan nog lang niet in de buurt van de noden van landen die in één seizoen geconfronteerd worden met schadebedragen die hun economie bijna doen kantelen. Jamaica toont met zijn ervaring dat zelfs een zorgvuldig opgebouwd pakket aan verzekeringen en reserves bij een enkele categorie 5 orkaan tekortschiet, wat impliciet de vraag oproept hoe kleiner en armer landen zich ooit zelfstandig kunnen indekken tegen opeenvolgende rampen.
In de wandelgangen klinkt daarom steeds vaker dat klimaatbestendig worden niet alleen gaat over nationale veerkracht maar ook over internationale spelregels, van schuldverlichting tot automatische uitstelmechanismen bij rampen en structurele bijdragen aan schade en verlies in de meest getroffen regio’s. Voor Jamaica is orkaan Melissa daarmee meer dan een natuurramp geweest, het is een harde illustratie van hoe fragiel decennia aan begrotingsdiscipline kunnen zijn in een tijdperk waarin het weer zelf is gaan verdubbelen als financiële tegenwind.