De Nederlandse advocaat-generaal Martijn van Wees heeft de Hoge Raad geadviseerd het cassatieberoep van vier Surinaamse banken af te wijzen. Het gaat om het langdurige geschil over een bedrag van 19,5 miljoen euro dat in april 2018 op Schiphol werd onderschept vanwege een vermoedens van witwassen. Het geldtransport kwam uit Suriname en was bestemd voor Hongkong. Hoewel de papieren de Centrale Bank van Suriname (CBvS) als afzender vermeldden, bleken de bankbiljetten eigendom te zijn van Hakrinbank en Finabank. De bedoeling was dat het geld bij de Industrial and Commercial Bank of China (ICBC) zou worden omgezet in giraal saldo, waarna het zou worden teruggestort op de rekeningen van deze banken.
Kort na de onderschepping nam de FIOD de zaak over en werd het Openbaar Ministerie op 17 april 2018 beslag gelegd wegens een vermoeden van witwassen. Sindsdien staat het bedrag geparkeerd op een rekening van de Nederlandse Belastingdienst. De Surinaamse banken probeerden via een klaagschrift het beslag ongedaan te maken. Zij stelden dat Nederland geen beslag mocht leggen omdat de CBvS als staatsorgaan immuniteit zou genieten. Zowel de rechtbank Noord-Holland (2019) als het gerechtshof Amsterdam (2023) oordeelden aanvankelijk in hun voordeel, maar deze uitspraken werden later door de Hoge Raad vernietigd. Na terugverwijzing verklaarde het gerechtshof Den Haag het beklag in augustus 2024 opnieuw ongegrond, waarna de banken naar de Hoge Raad stapten.
In cassatie draait veel om de vraag of de CBvS daadwerkelijk immuniteit kan claimen. Volgens Van Wees volgt uit eerdere jurisprudentie dat immuniteit alleen geldt voor centrale bank-eigendom dat wordt gebruikt voor monetaire taken. Omdat de in beslag genomen bankbiljetten eigendom waren van commerciële banken en de CBvS slechts een begeleidende rol had, acht hij de beslissing van het hof juridisch correct. De banken betoogden daarnaast dat de verdenking van witwassen grondiger had moeten worden onderzocht. Maar volgens de advocaat-generaal is de toetsing in een beklagprocedure beperkt, de rechter moet alleen beoordelen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat het geld uiteindelijk wordt verbeurdverklaard. Van Wees vindt dat het hof deze norm juist heeft toegepast. Ook de proportionaliteit van het beslag werd aangevoerd. De banken waren bereid een borgstelling te geven, maar de advocaat-generaal wijst erop dat borgstelling wettelijk alleen mogelijk is bij conservatoir beslag, terwijl het hier gaat om strafvorderlijk beslag. Daarnaast is de motivering van het hof volgens haar toereikend. Hoewel de Hoge Raad het advies van de advocaat-generaal niet hoeft te volgen, speelt het doorgaans wel een belangrijke rol.