Het ministerie van Jeugdontwikkeling en Sport (JOS) heeft sportorganisaties en scholen in zes districten voorzien van sportmateriaal. De ondersteuning omvat benodigdheden voor badminton, volleybal, basketbal, voetbal, taekwondo, karate en denksporten. Hoewel de verstrekking een welkome impuls vormt voor sportverenigingen, roept de aanpak tegelijkertijd vragen op over de structurele ontwikkeling van de sportsector, de spreiding van middelen en de continuïteit van de ondersteuning. Organisaties uit Paramaribo, Marowijne, Commewijne, Saramacca, Para en Wanica zijn in deze eerste fase aan bod gekomen. De overige districten moeten op een later moment worden voorzien. Daarmee blijft een deel van de sportsector voorlopig aangewezen op bestaande middelen, terwijl ook daar de behoefte aan materiaal en begeleiding aanwezig kan zijn. Het ministerie heeft nog geen concrete termijn genoemd waarbinnen de resterende districten ondersteuning ontvangen. Minister Lalinie Gopal benadrukt dat sportontwikkeling niet uitsluitend afhankelijk is van financiële subsidies. Het ministerie kan ook sportmateriaal beschikbaar stellen, sportkader inzetten en overheidsfaciliteiten tegen aangepaste tarieven toegankelijk maken.
Die bredere ondersteuningsmogelijkheden zijn relevant, maar de effectiviteit ervan hangt sterk af van de beschikbaarheid, bereikbaarheid en daadwerkelijke inzet van deze voorzieningen. Sportbonden moeten volgens Gopal een jaarplanning indienen om aanspraak te maken op ondersteuning. Ook incidentele activiteiten waarvoor middelen worden aangevraagd, moeten daarin worden opgenomen. De minister stelt daarmee een duidelijkere verantwoordelijkheid tegenover sportorganisaties, die volgens haar niet alleen tijdens vakanties actief mogen zijn met jongeren, maar gedurende het hele jaar. De eis van een jaarplanning kan bijdragen aan een professionelere organisatie van de sportsector. Tegelijkertijd is het van belang dat het ministerie rekening houdt met de organisatorische capaciteit van kleinere verenigingen. Niet iedere sportorganisatie beschikt over voldoende administratieve ondersteuning om uitgebreide plannen op te stellen. Een uniforme eis zonder begeleiding kan juist kleinere initiatieven benadelen, terwijl die vaak een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van jongeren. De nadruk op planning moet daarom gepaard gaan met begeleiding, transparante beoordelingscriteria en duidelijke afspraken over de beschikbare middelen.
Anders dreigt ondersteuning vooral terecht te komen bij organisaties die administratief sterker zijn, in plaats van bij verenigingen waar de behoefte het grootst is. Het ministerie heeft aangegeven dat niet iedere sportvereniging afzonderlijk sportmateriaal kan ontvangen. Verenigingen kunnen wel gebruikmaken van voorzieningen en sportleiders bij JOS dependances. Hiervoor moeten zij een schriftelijk verzoek indienen. Ook dependances en commissariaten in districten zonder eigen ministerievestiging zullen van materiaal worden voorzien. Deze constructie kan de beschikbare middelen efficiënter laten benutten, maar roept ook praktische aandachtspunten op. De afstand tot een dependance, de beschikbaarheid van sportleiders en de mogelijkheid om materiaal daadwerkelijk te gebruiken, kunnen bepalend zijn voor de toegang tot ondersteuning. Zonder duidelijke afspraken over uitleen, onderhoud en gebruik bestaat het risico dat materiaal wel beschikbaar is, maar niet optimaal wordt ingezet. Bijzonder aandachtspunt is de ondersteuning van kinderen met een beperking. Volgens Gopal is inmiddels voorzien in aangepast sportmateriaal voor deze groep. Daarmee wordt een belangrijke stap gezet richting inclusieve sportontwikkeling. De daadwerkelijke toegankelijkheid van sportactiviteiten hangt echter ook af van deskundige begeleiding, geschikte accommodaties en een structurele aanpak van inclusie. Waarnemend directeur Sport Enrique Ralim noemt de materiaalverstrekking het resultaat van een inventarisatie met sportorganisaties. Sportmateriaal bleek daarbij een van de meest urgente behoeften.
Het ministerie ontving in het afgelopen jaar verschillende verzoeken, terwijl de beschikbare voorraad nauwelijks toereikend was. Dat gegeven legt een bredere tekortkoming bloot, de sportsector heeft kennelijk geruime tijd met materiaalproblemen te maken gehad, terwijl verzoeken om ondersteuning zich opstapelden. De huidige actie biedt verlichting, maar maakt tegelijkertijd duidelijk dat een incidentele distributie geen vervanging is voor een structureel beleid gericht op aanschaf, onderhoud en vervanging van sportmateriaal. Federaties die hun behoeften nog niet hebben doorgegeven, komen in een volgende fase aan bod. Daarmee blijft de ondersteuning voorlopig gefaseerd en afhankelijk van inventarisatie en beschikbaarheid. Gregory Markiet, voorzitter van de Surinaamse Taekwondo Associatie (STA), noemt de ondersteuning positief. Zijn organisatie ontving een derde generatie elektronisch scoringssysteem, waarmee een verouderd systeem wordt vervangen. Volgens Markiet kan de nieuwe apparatuur nog jaren worden gebruikt. Zijn opmerking dat sportontwikkeling niet uitsluitend om geld draait, onderstreept het belang van materiële en organisatorische ondersteuning. Tegelijkertijd vormt zijn hoop op verdere ondersteuning een signaal dat de behoeften binnen de sector niet met deze levering zijn verdwenen. De verstrekking van sportmateriaal is daarmee een noodzakelijke stap, maar nog geen bewijs van een duurzaam sportbeleid. De werkelijke toets ligt in de vraag of het ministerie de ondersteuning kan omzetten in een voorspelbaar, transparant en districtsoverstijgend systeem. Pas wanneer sportorganisaties structureel toegang hebben tot materiaal, begeleiding en faciliteiten, kan de investering daadwerkelijk bijdragen aan duurzame sportontwikkeling en jeugdparticipatie.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com