President Jennifer Simons wil de Wet Openbaarheid van Bestuur en de instelling van een Ombudsman realiseren om burgers meer mogelijkheden te geven om de overheid kritisch te volgen en misstanden binnen overheidsinstituten aan de kaak te stellen. Daarmee raakt de president aan twee belangrijke pijlers van behoorlijk bestuur, het recht van burgers op overheidsinformatie en een onafhankelijke mogelijkheid om klachten over het functioneren van de overheid kenbaar te maken. De aankondiging klinkt veelbelovend, maar de werkelijke waarde van deze instrumenten zal uiteindelijk niet worden bepaald door het bestaan van wetten en instellingen op papier. Doorslaggevend wordt de mate waarin burgers daadwerkelijk toegang krijgen tot informatie, klachten onafhankelijk kunnen laten onderzoeken en overheidsinstanties verplicht worden om zich voor hun handelen te verantwoorden. Volgens Simons bestaat er brede overeenstemming over de noodzaak van een Wet Openbaarheid van Bestuur. Er zijn inmiddels concepten ingediend. De president benadrukt daarbij terecht dat de wet niet alleen moet vastleggen welke informatie burgers van de overheid kunnen opvragen, maar ook welke informatie niet openbaar kan worden gemaakt.
Die afbakening is essentieel. Openbaarheid van bestuur betekent immers niet dat iedere interne overheidsdiscussie zonder beperkingen publiek moet worden gemaakt. De president verwees in dat verband naar informatie uit de Raad van Ministers en stelde dat openbaarheid niet gelijkstaat aan het lekken van vertrouwelijke zaken. Een goed functionerende wet zal daarom duidelijke uitzonderingsgronden moeten bevatten. Juist daar ligt echter een potentieel risico. Zodra uitzonderingen te ruim of te vaag worden geformuleerd, kan het uitgangspunt van openbaarheid worden uitgehold. Een overheid kan zich dan gemakkelijk verschuilen achter vertrouwelijkheid, staatsbelangen of andere algemene formuleringen om informatie niet te verstrekken. Een Wet Openbaarheid van Bestuur die vooral bepaalt wat niet openbaar mag worden, maar burgers onvoldoende mogelijkheden geeft om een weigering aan te vechten, dreigt een papieren instrument te worden. Daarom zal niet alleen de inhoud van de wet belangrijk zijn, maar ook de handhaving ervan. Burgers moeten een reële mogelijkheid hebben om bezwaar te maken wanneer informatie zonder overtuigende reden wordt achtergehouden. Ook moet duidelijk zijn welke instantie uiteindelijk kan beoordelen of een overheidsinstelling terecht heeft geweigerd informatie te verstrekken.
Naast openbaarheid noemt Simons de Ombudsman als tweede belangrijk instrument. Zij heeft de instelling daarvan persoonlijk opgenomen in haar verkiezingswensen en stelt dat dit instituut er moet komen. De Ombudsman moet burgers de mogelijkheid bieden klachten in te dienen over de wijze waarop zij door overheidsinstanties zijn behandeld en over gebeurtenissen binnen die instellingen. Daarmee kan de Ombudsman een belangrijke leegte vullen. Burgers die vastlopen bij een overheidsdienst hebben niet altijd voldoende middelen, kennis of toegang om hun zaak op een effectieve manier aan te kaarten. Een onafhankelijke Ombudsman kan juist voor deze groep een laagdrempelig controlemechanisme vormen. Tegelijkertijd erkent Simons dat de invoering van zo’n instituut niet zonder problemen zal zijn. Het aantal klachten kan enorm zijn. De president waarschuwt voor een situatie waarin bijvoorbeeld 160.000 klachten binnenkomen en het instituut vervolgens volledig wordt verlamd. Daarom wordt gedacht aan een gefaseerde invoering. Die benadering is begrijpelijk, maar brengt ook een belangrijk aandachtspunt met zich mee. Een gefaseerde aanpak mag geen excuus worden om de rechten van burgers langdurig te beperken. Wanneer burgers jarenlang moeten wachten voordat hun klachten daadwerkelijk worden behandeld, verliest het instituut een groot deel van zijn geloofwaardigheid. Simons ziet klachten bovendien niet uitsluitend als individuele problemen die opgelost moeten worden. Ze kunnen volgens haar ook dienen als waardevolle feedback voor de overheid.
De Ombudsman kan patronen zichtbaar maken en aantonen waar overheidsdiensten structureel tekortschieten. Daarmee kan het instituut uitgroeien tot meer dan een klachtenloket, het kan een belangrijke spiegel voor de overheid worden. Dat vereist echter wel dat de overheid bereid is om die spiegel daadwerkelijk onder ogen te zien. Als aanbevelingen van de Ombudsman vrijblijvend blijven, bestaat het risico dat klachten worden geregistreerd zonder dat fundamentele problemen worden aangepakt. De meerwaarde van het instituut ligt daarom niet alleen in het ontvangen en inventariseren van klachten, maar vooral in de opvolging ervan. De plannen van Simons bieden daarmee perspectief op een overheid die transparanter en aanspreekbaarder moet worden. Maar wetgeving alleen verandert de bestuurscultuur niet. Openbaarheid van bestuur heeft pas betekenis wanneer informatie daadwerkelijk toegankelijk is. Een Ombudsman heeft pas gezag wanneer burgers erop kunnen vertrouwen dat klachten onafhankelijk worden behandeld en wanneer overheidsinstanties consequent worden aangesproken op tekortkomingen. De komende uitdaging ligt daarom niet alleen in het aannemen van de wetten, maar vooral in het ontwerpen van stevige waarborgen, duidelijke procedures en effectieve controle. Zonder die elementen dreigen openbaarheid en burgerparticipatie te blijven steken in politieke intenties. Met die waarborgen kunnen zij daarentegen uitgroeien tot instrumenten die de machtsverhouding tussen burger en overheid daadwerkelijk veranderen.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com