Suriname heeft een milieuprobleem dat inmiddels veel verder gaat dan de vraag welke chemische stoffen in de goudsector worden gebruikt. De schriftelijke beantwoording van minister Patrick Brunings van Olie, Gas en Milieu aan De Nationale Assemblée legt vooral een pijnlijker probleem bloot, de overheid weet niet eens precies wie waar met chemische middelen werkt. Terwijl rivieren, dorpen en ecosystemen mogelijk worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, blijkt het toezicht versnipperd, onvolledig en op cruciale momenten afwezig. De Nationale Milieu Autoriteit (NMA) beschikt niet over een volledig overzicht van alle bedrijven die chemische middelen gebruiken langs en nabij rivieren. Er bestaat wel een registratie van importeurs, wederverkopers en eindgebruikers van Gold Dressing Agents (GDA), maar ook daarvan zijn er gebruikers die buiten beeld blijven. Dat betekent in feite dat de overheid een deel van de activiteiten die zij zou moeten controleren, niet kent. Dat is geen detail en evenmin een administratieve tekortkoming. Het raakt de kern van milieubescherming. Wie niet weet wie chemische stoffen gebruikt, waar dat gebeurt en in welke hoeveelheden, kan onmogelijk effectief controleren of de regels worden nageleefd. Controle achteraf is bovendien weinig waard wanneer schade aan water, bodem, mens en natuur eenmaal is aangericht.
Nog schrijnender is de institutionele constructie. De NMA komt niet in beeld bij de aanvraag van mijnbouwconcessies. Dat proces ligt bij het ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen. De milieutoezichthouder adviseert evenmin over de uitgifte van concessies. Daarmee wordt een fundamenteel principe van verantwoord bestuur op zijn kop gezet, economische toestemming en milieubeoordeling zouden juist vanaf het begin met elkaar verbonden moeten zijn. Nu probeert de overheid die lacune alsnog te dichten met een verplichte Milieu Effecten Analyse. Dat is op zichzelf noodzakelijk, maar de vraag blijft waarom dit niet allang vanzelfsprekend was. Een mijnbouwproject verandert immers van karakter zodra exploratie overgaat in exploitatie en later in rehabilitatie of sluiting. Het is logisch dat bij iedere belangrijke overgang opnieuw wordt gekeken naar de milieugevolgen. De NMA wil daarom dat een milieubeoordeling een expliciete voorwaarde wordt bij de afgifte en verlenging van concessies. Ook zou geen volgende fase mogen beginnen zonder voorafgaande milieutoetsing en goedkeuring. Dat klinkt streng, maar in een sector met potentieel grote milieuschade is het simpelweg het minimale niveau van voorzorg dat van de staat mag worden verwacht. De huidige praktijk laat echter zien hoe ver Suriname daar nog vanaf staat. Niet alle bedrijven worden regelmatig gecontroleerd. Voor geregistreerde ondernemingen bestaan inspectieverslagen, maar de naleving is volgens de minister niet volledig.
De verantwoordelijkheid is verdeeld over de NMA, de Geologisch Mijnbouwkundige Dienst en de Ordening Kleinschalige Goudsector. Iedereen heeft een stukje van de verantwoordelijkheid, maar juist daardoor dreigt niemand volledig verantwoordelijk te worden voor het eindresultaat. Die versnippering kan niet als excuus blijven dienen. Voor burgers die afhankelijk zijn van schoon water maakt het niet uit welke overheidsinstantie formeel verantwoordelijk is. Voor een vervuilde rivier maakt het evenmin verschil of een vergunning door NH is verstrekt, een mijnbouwvoorschrift door GMD wordt gecontroleerd of een milieuregel door de NMA wordt gehandhaafd. De staat als geheel draagt de verantwoordelijkheid. Dat Suriname bovendien nog geen nationaal calamiteitenprotocol heeft voor milieuschade, maakt de situatie nog zorgwekkender. De Milieu-Raamwet verplicht bedrijven die gevaarlijke stoffen opslaan, gebruiken of vervoeren wel tot het opstellen van een rampenbestrijdingsplan. Maar van de geregistreerde bedrijven hebben slechts vier zo’n plan ingediend, met Grassalco als uitzondering. Een wettelijke verplichting zonder volledige naleving en zonder nationaal gecoördineerd optreden blijft uiteindelijk een verwaarloos bescherming. Intussen zijn mogelijk zes dorpen rechtstreeks onderdeel van het primaire gebied dat door de verontreiniging kan zijn beïnvloed, Totikampoe, Haarlem, Vier Hendrikken, Santigron, Pikin Poika en Maho.
Ook Maripaston, Uitkijkbrug en Groningen behoren tot het onderzoeksgebied. De definitieve ecotoxicologische resultaten moeten nog uitwijzen welke schade daadwerkelijk is ontstaan. Maar juist die onzekerheid onderstreept waarom preventie zo belangrijk is. De overheid behoort niet te wachten tot schade wetenschappelijk onomstotelijk is vastgesteld voordat zij streng optreedt. En dan is er nog de import van GDA’s, waaronder Jin Chan. De regering heeft nog altijd geen definitief besluit genomen. Een volledig verbod, een importquotum of een geleidelijke afbouw zijn de opties. Het voornemen om nog dit kwartaal een besluit te nemen is welkom, maar opnieuw dreigt hetzelfde patroon, eerst jarenlang gebruik, daarna mogelijke schade, vervolgens onderzoek en pas daarna discussie over regulering. Suriname kan zich geen milieubeleid veroorloven dat achter de feiten aanloopt. Registratie moet volledig zijn, vergunningverlening moet gekoppeld worden aan milieutoetsing en inspecties moeten structureel en onafhankelijk plaatsvinden. Daarnaast is een nationaal calamiteitenprotocol geen luxe, maar een noodzaak. De les uit deze kwestie is hard maar eenvoudig, een overheid die niet weet wie chemische stoffen gebruikt, kan niet beweren dat zij de samenleving daartegen effectief beschermt. Suriname heeft niet alleen strengere milieuregels nodig. Het land heeft vooral een overheid nodig die ervoor zorgt dat bestaande regels daadwerkelijk voor de vervuiling worden toegepast, in plaats van erna.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com