De oproep van OAS secretaris-generaal Albert Ramdin aan de Caribische landen is hard, maar noodzakelijk, wie zijn gezondheidszorg structureel afhankelijk maakt van buitenlandse donoren, heeft zijn eigen verantwoordelijkheid jarenlang onvoldoende serieus genomen. Internationale steun kan een waardevolle aanvulling zijn, maar mag nooit de financiële ruggengraat vormen van een nationale gezondheidssector. Ramdin stelt dat Caribische landen veel meer zelf moeten investeren in gezondheidszorg en zich minder afhankelijk moeten maken van de Verenigde Staten en andere buitenlandse geldschieters. Zijn opmerkingen komen op een moment waarop onzekerheid bestaat over de Amerikaanse financiering van internationale hiv en aidsprogramma’s. Dat de mogelijke terugtrekking van buitenlandse steun onmiddellijk zorgen veroorzaakt, legt een veel groter probleem bloot, de kwetsbaarheid van landen die essentiële gezondheidsprogramma’s niet volledig uit eigen middelen kunnen dragen. Het gaat daarbij niet om een klein of tijdelijk beleidsprobleem. Gezondheidszorg is een kerntaak van iedere regering. Preventie, behandeling, medicatie, voorlichting en bewustwording behoren niet afhankelijk te zijn van de vraag of een buitenlandse regering volgend jaar bereid is opnieuw geld beschikbaar te stellen. De realiteit is echter dat internationale financiering jarenlang een belangrijke rol heeft gespeeld. Programma’s rond hiv en aids zijn mede ondersteund door internationale partners, waaronder de Verenigde Staten via het President’s Emergency Plan for AIDS Relief, PEPFAR.
Die steun heeft ongetwijfeld levens geholpen en gezondheidsprogramma’s versterkt. Maar steun die noodzakelijk wordt om een fundamentele overheidstaak overeind te houden, verandert op den duur in afhankelijkheid. Een land dat voldoende middelen kan vrijmaken voor andere prioriteiten, maar voor essentiële gezondheidsprogramma’s voortdurend naar buitenlandse financiers moet kijken, heeft een probleem dat verder gaat dan een tekort op een begrotingspost. Het is een kwestie van politieke prioriteitstelling. Hiv en aids zijn bovendien geen problemen die zich laten oplossen met incidentele projecten. Preventie vereist continuïteit. Bewustwording vereist jarenlange campagnes. Behandeling vereist betrouwbare toegang tot medicatie. Testprogramma’s, begeleiding en ondersteuning van kwetsbare groepen kunnen niet vandaag worden uitgebreid en morgen worden afgebouwd omdat een donorbudget opdroogt. Juist daarom is het onverantwoord wanneer regeringen hun gezondheidsbeleid grotendeels laten meebewegen met de financiële agenda van buitenlandse partners. Ramdin maakt terecht duidelijk dat onafhankelijke staten zelf verantwoordelijk zijn voor het financieren van hun ministeries van Volksgezondheid en Onderwijs. Internationale samenwerking blijft noodzakelijk, maar samenwerking mag geen excuus worden voor binnenlandse passiviteit. Buitenlandse hulp hoort een versterking te zijn van nationaal beleid, geen vervanging ervan. De mogelijke vermindering van Amerikaanse financiering moet daarom niet uitsluitend worden gezien als een bedreiging.
Het is ook een harde wake-upcall voor regeringen in het Caribisch gebied. De afhankelijkheid die nu zichtbaar wordt, is niet van de ene op de andere dag ontstaan. Zij is het gevolg van jaren waarin structurele investeringen in de gezondheidszorg onvoldoende prioriteit hebben gekregen. Het is gemakkelijk om met de vinger naar Washington te wijzen wanneer financieringsstromen veranderen. Maar daarmee wordt de kern van het probleem ontweken. Een regering die werkelijk vindt dat hiv preventie, medicatie en gezondheidsvoorlichting essentieel zijn, moet bereid zijn daarvoor zelf geld vrij te maken. Dat betekent niet dat internationale steun overbodig is. Hiv en aids zijn grensoverschrijdende volksgezondheidsvraagstukken waarbij kennisuitwisseling, internationale samenwerking, financiering en gezamenlijke programma’s van grote betekenis blijven. Maar een gezonde relatie tussen donor en ontvanger begint met nationale verantwoordelijkheid. Caribische landen moeten daarom stoppen met het behandelen van buitenlandse hulp als een vanzelfsprekend onderdeel van hun gezondheidsbegroting. Donorgeld kan worden gebruikt om capaciteit op te bouwen, innovatie te financieren en programma’s te versterken.
Het mag echter niet de reden zijn waarom basisvoorzieningen überhaupt kunnen blijven functioneren. De uitspraak van Ramdin legt daarmee een waarheid bloot. De kwetsbaarheid van de Caribische gezondheidszorg wordt niet alleen veroorzaakt door mogelijke wijzigingen in het Amerikaanse beleid. Zij wordt ook veroorzaakt door nationale keuzes. Als regeringen willen dat hun landen werkelijk onafhankelijk zijn, moet die onafhankelijkheid ook zichtbaar worden in de gezondheidszorg. Wie zelf bepaalt over het gezondheidsbeleid, moet ook bereid zijn een substantieel deel van de rekening zelf te betalen. De tijd waarin fundamentele gezondheidszorg structureel afhankelijk kan blijven van de goedwillendheid van buitenlandse donoren, zou voorbij moeten zijn. Hiv en aids vragen om continu beleid, betrouwbare financiering en politieke verantwoordelijkheid. Niet om tijdelijke campagnes die verdwijnen zodra een buitenlandse geldkraan wordt dichtgedraaid. Ramdin heeft daarmee een punt dat moeilijk te negeren is, internationale hulp is belangrijk, maar nationale verantwoordelijkheid is onmisbaar. Een regering die haar gezondheidszorg niet zelf kan financieren, blijft uiteindelijk afhankelijk van de prioriteiten van anderen. En dat is voor een onafhankelijke staat een pijnlijke, maar zelf veroorzaakte kwetsbaarheid.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com