In de vergaderzaal van het ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij (LVV) is opnieuw gesproken over gendergelijkheid, interministeriële samenwerking en de institutionalisering van een duurzaam gendernetwerk binnen de overheid. Mooie woorden, ambitieuze doelstellingen en plechtige verklaringen waren er genoeg. Maar de werkelijke uitdaging begint pas wanneer genderbeleid de vergaderzaal verlaat en terechtkomt op de bureaus waar beslissingen worden genomen. Want Suriname heeft geen gebrek aan beleidsdocumenten, werkgroepen, focal points en overlegstructuren. Waar het structureel aan ontbreekt, is de garantie dat deze mechanismen ook daadwerkelijk macht, middelen en verantwoordelijkheid krijgen. Precies daar ligt de zwakke plek van het huidige genderbeleid. Minister van Binnenlandse Zaken Marinus Bee en onderminister Kelvin Koniki waren aanwezig bij de bijeenkomst. Koniki stelde terecht dat gendergelijkheid geen exclusieve zaak van vrouwen is, maar een verantwoordelijkheid van de hele samenleving.
Dat is een belangrijk uitgangspunt. Genderongelijkheid is immers geen geïsoleerd maatschappelijk probleem dat kan worden doorgeschoven naar vrouwenorganisaties of een gespecialiseerd bureau. Het raakt de werking van de staat, de economie, veiligheid, gezondheidszorg, sociale bescherming en uiteindelijk de ontwikkeling van het land. De onderminister riep ministeries op om verder te gaan dan reflectie en over te gaan tot concrete beleidsinterventies. Dat klinkt krachtig, maar het legt tegelijkertijd de vinger op de zere plek, kennelijk wordt er binnen de overheid nog altijd te veel gepraat over gender en te weinig daadwerkelijk veranderd. Jarenlang kan worden vergaderd over gelijke kansen, terwijl vrouwen in de praktijk nog steeds tegen institutionele barrières aanlopen. Er kunnen presentaties worden gegeven over gender als transversaal beleidsvraagstuk, terwijl gender vervolgens bij de uitvoering van beleid nauwelijks zichtbaar is.
Er kunnen gender focal points worden aangewezen, maar als deze functionarissen geen duidelijk mandaat, bevoegdheden of politieke ondersteuning krijgen, zijn zij weinig meer dan aanspreekpunten zonder tanden. Dat probleem werd tijdens de bijeenkomst zelf expliciet benoemd. Volgens Shiefania Jahangier, hoofd van het Bureau Genderaangelegenheden (BGA), wordt de positie van gender focal points binnen ministeries onvoldoende erkend. Hun mandaat en beslissingsbevoegdheid schieten tekort. Daarmee wordt een fundamenteel probleem blootgelegd, de overheid heeft structuren gecreëerd, maar heeft die structuren onvoldoende uitgerust om daadwerkelijk invloed uit te oefenen. Een gender focal point zonder mandaat is als een toezichthouder zonder bevoegdheid. Men kan signaleren, adviseren en rapporteren, maar uiteindelijk gebeurt er weinig wanneer de verantwoordelijke leidinggevenden het advies naast zich neer kunnen leggen. Het voorgestelde nieuwe gendernetwerk moet daar verandering in brengen. Elk ministerie krijgt een intern gendernetwerk dat zelfstandig moet kunnen werken aan gendergelijkheid en de integratie daarvan in de eigen organisatie en beleidsvoering. Daarnaast wordt gewerkt aan een gezamenlijk digitaal platform voor kennis en informatie uitwisseling. Dat zijn op zichzelf nuttige stappen. Maar ook hier geldt dat technologie en structuren geen vervanging zijn voor politieke wil. Een digitaal platform verandert geen cultuur.
Een netwerk maakt geen beleid. Een vergadering neemt geen barrières weg. De overheid zal daarom afgerekend moeten worden op resultaten en niet op het aantal bijeenkomsten dat wordt georganiseerd. Als gendergelijkheid werkelijk structureel en onomkeerbaar moet worden verankerd, moet het onderwerp onderdeel worden van de normale besluitvorming binnen ieder ministerie. Dat betekent dat beleidsvoorstellen systematisch moeten worden getoetst op hun gevolgen voor vrouwen en mannen. Het betekent dat begrotingen rekening moeten houden met gender. Het betekent dat leidinggevende functies, arbeidsvoorwaarden, toegang tot middelen en kansen niet alleen worden besproken, maar meetbaar worden geëvalueerd. Ook de verantwoordelijke ministers zullen niet buiten schot mogen blijven. Een gendernetwerk kan alleen functioneren wanneer politieke leiding bereid is om aanbevelingen serieus te nemen en waar nodig daadwerkelijk in te grijpen. Zonder die politieke rugdekking dreigt het netwerk te verworden tot nog een overlegstructuur binnen een overheid die al wordt gekenmerkt door bureaucratie en versnippering. De bijeenkomst bij LVV is daarom zowel hoopgevend als confronterend.
Hoopgevend, omdat er eindelijk wordt erkend dat genderbeleid niet langer als een afzonderlijk thema kan worden behandeld. Confronterend, omdat dezelfde bijeenkomst blootlegt hoe groot de afstand nog is tussen ambitie en uitvoering. Suriname heeft geen behoefte aan een zoveelste symbolisch beleidsprogramma dat na een reeks bijeenkomsten in een la verdwijnt. Het land heeft behoefte aan een overheid die verantwoordelijkheid neemt, obstakels daadwerkelijk wegneemt en zichzelf meetbaar durft af te rekenen op de resultaten. Gendergelijkheid moet daarom ophouden een beleidsdoel te zijn dat vooral tijdens conferenties en vergaderingen wordt uitgesproken. Het moet zichtbaar worden in benoemingen, begrotingen, wetgeving, arbeidsbeleid, sociale programma’s en de dagelijkse praktijk van de overheid. Pas wanneer gender focal points daadwerkelijk bevoegdheden krijgen, ministeries verantwoordelijk worden gehouden en beleidsmaatregelen aantoonbare resultaten opleveren, kan worden gesproken over institutionalisering. Tot die tijd blijft het gevaar bestaan dat Suriname vooral een indrukwekkend netwerk van woorden bouwt, terwijl de werkelijkheid nauwelijks verandert.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com