Met een voorstel om driekwart van de opbrengsten uit de Europese CO2 markt terug te laten vloeien naar schone industrie, probeert het Europees Parlement de klimaattransitie minder bedreigend te maken voor fabrieken die onder zware internationale druk staan, want zonder gerichte investeringen dreigen energie intensieve bedrijven te vertrekken voordat hun verduurzaming werkelijk op gang komt.
Het Europese emissiehandelssysteem verplicht energieproducenten en grote industriële ondernemingen om rechten te kopen voor de CO2 die zij uitstoten. Bedrijven die minder uitstoten dan toegestaan, kunnen ongebruikte rechten verkopen. Daarmee krijgt vervuiling een prijs, maar ontstaat tegelijk een financiële last voor sectoren zoals chemie, staal, cement en raffinage die moeilijk en kostbaar kunnen verduurzamen.
Europarlementariër Peter Liese wil dat lidstaten 75 procent van de inkomsten uit de verkoop van emissierechten besteden aan het schoner maken van de eigen industrie. De Europese Commissie had eerder een ondergrens van 50 procent voorgesteld. Het verschil is groot, omdat de extra middelen kunnen worden ingezet voor schone energie, elektrificatie, waterstof, modernisering van fabrieken en technieken die uitstoot structureel terugdringen.
De inzet is niet om klimaatdoelen los te laten, maar om bedrijven meer tijd en financiële ruimte te geven. Fabrikanten waarschuwen dat hoge CO2 kosten hun concurrentiepositie ondermijnen tegenover ondernemingen uit landen waar vergelijkbare klimaatregels ontbreken. Wanneer een fabriek sluit en de productie elders doorgaat met hogere uitstoot, verliest Europa banen zonder dat het klimaat daadwerkelijk wint.
Ook het tempo waarin de uitstootruimte wordt verkleind ligt op tafel, omdat het voorstel van Liese het plafond vanaf 2031 verlaagt met 3,4 procent per jaar en vanaf 2036 met 2,3 procent. De Europese Commissie had een snellere daling van 3,7 procent in de eerste periode en een lager tempo van 1,7 procent daarna voorgesteld. De parlementaire route geeft bedrijven aanvankelijk meer ademruimte, maar vraagt later in de jaren dertig om een scherpere inhaalslag.
De onderhandelingen worden daarom een test voor de geloofwaardigheid van Europees industriebeleid. Klimaatambities kunnen alleen overeind blijven wanneer bedrijven toegang krijgen tot betaalbare energie, financiering en technologie. Europese klimaatdocumenten wijzen al langer op de noodzaak om emissiehandel te verbinden met investeringen die de overgang naar een concurrerende en koolstofarme economie mogelijk maken.
De definitieve strijd begint zodra het Parlement en de lidstaten hun onderhandelingspositie hebben vastgelegd, naar verwachting in december. Daarna moet een gezamenlijk compromis worden gevonden over de verdeling van de inkomsten, de snelheid van emissiereducties en de bescherming van industrie tegen oneerlijke concurrentie van buiten Europa.
Ook Suriname kan hieruit meenemen dat inkomsten uit natuurlijke hulpbronnen en milieumaatregelen pas duurzaam effect hebben wanneer zij doelgericht terugvloeien naar productie, energiezekerheid, kennis en modernisering van lokale bedrijven. Geld innen zonder een zichtbaar plan voor versterking van de economie verandert transitie in een kostenpost in plaats van een kans.
De Europese discussie laat daarmee een harde economische waarheid zien, omdat klimaatbeleid pas breed wordt gedragen wanneer mensen niet alleen de rekening zien, maar ook kunnen zien welke fabriek, baan, technologie en toekomst er met die middelen wordt opgebouwd.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com