Het Directoraat Cultuur presenteert een ambitieus verhaal over meer inspraak, samenwerking en jongerenparticipatie, maar achter de grote woorden schuilt vooral een pijnlijke realiteit, concrete veranderingen blijven opnieuw op de lange baan. Terwijl directeur Xiomara Simons benadrukt dat cultuurbeleid niet achter een bureau kan worden gemaakt, worden de belangrijkste participatiebijeenkomsten pas vanaf 2027 ingevoerd. Met de introductie van zogenoemde krutu’s wil het directoraat gemeenschappen, kunstenaars en culturele organisaties betrekken bij de ontwikkeling van het nationale cultuurbeleid. Het initiatief moet ervoor zorgen dat burgers mede bepalen welke richting het cultuurbeleid uitgaat. Daarmee erkent het directoraat impliciet dat de afstand tussen overheid en samenleving jarenlang te groot is geweest. De vraag is echter niet of inspraak belangrijk is, maar waarom die pas over geruime tijd vorm krijgt terwijl de noodzaak volgens de directeur al langer duidelijk is. Simons verwijst naar het uitgangspunt dat minister regelmatig benadrukt, “Leave no one behind.” Die slogan moet uitdrukken dat niemand buiten het cultuurbeleid mag vallen. Toch laat de praktijk zien dat juist veel gemeenschappen jarenlang nauwelijks zichtbaar zijn geweest binnen het officiële cultuurbeleid.
De erkenning dat er nog veel werk aan de winkel is, onderstreept dat het directoraat achterloopt op de verwachtingen die het zelf uitspreekt. Opvallend is dat het directoraat veel nadruk legt op het verzamelen van informatie voordat er beleid wordt ontwikkeld. Medewerkers zullen de wijken en districten ingaan om te luisteren naar bewoners en hun behoeften in kaart te brengen. Luisteren is zonder twijfel noodzakelijk, maar het risico bestaat dat het opnieuw bij inventariseren blijft. Gemeenschappen hebben vaker aangegeven dat culturele initiatieven niet alleen behoefte hebben aan gesprekken, maar vooral aan structurele ondersteuning, financiering en uitvoering. Het directoraat presenteert samenwerking met andere organisaties als een noodzakelijke voorwaarde voor succes. Daarmee erkent het feitelijk dat het de ambities niet zelfstandig kan waarmaken. Dat hoeft op zichzelf geen zwakte te zijn, maar het roept wel vragen op over de uitvoeringskracht van de instelling zelf. Wanneer een overheidsorganisatie haar kernbeleid grotendeels afhankelijk maakt van externe partners, ontstaat de uitdaging om verantwoordelijkheid, regie en resultaten duidelijk af te bakenen.
Een ander speerpunt is de integratie van kunst, cultuur en erfgoededucatie in het onderwijs. Dat klinkt als een logische stap in een samenleving waarin cultureel erfgoed een belangrijke rol speelt in de nationale identiteit. Toch blijft onduidelijk hoe deze integratie daadwerkelijk gestalte krijgt. Er worden geen concrete programma’s, tijdlijnen of uitvoeringsafspraken genoemd. Zonder duidelijke plannen dreigt ook dit voornemen onderdeel te worden van een bredere lijst beleidsintenties die moeilijk meetbaar zijn. Bijzonder veel nadruk ligt op jongeren. Volgens Simons moet juist deze groep sterker worden betrokken bij cultuur en erfgoed. Die ambitie is begrijpelijk, zeker nu traditionele culturele kennis onder druk staat door digitalisering en veranderende leefstijlen. Tegelijkertijd vraagt jongerenparticipatie meer dan uitnodigingen voor bijeenkomsten. Jongeren verwachten vaak zichtbare invloed op besluitvorming en tastbare resultaten. Zonder concrete terugkoppeling bestaat het risico dat participatie vooral symbolisch blijft. Het meest opvallende onderdeel van de plannen blijft de invoering van de krutu’s. Het concept sluit aan bij een Surinaamse traditie waarin overleg en gemeenschapsdialoog centraal staan. Juist daarom kan het initiatief potentieel waardevol zijn.
Maar de timing wringt. Wanneer het directoraat zelf erkent dat cultuur voortdurend verandert en beleid niet uitsluitend vanuit kantoren kan ontstaan, is het moeilijk uit te leggen waarom de structurele dialoog pas vanaf 2027 moet beginnen. Het gevaar bestaat dat de overheid opnieuw tijd investeert in overleg zonder tegelijkertijd duidelijk te maken welke besluiten daadwerkelijk kunnen veranderen op basis van die gesprekken. Participatie krijgt pas betekenis wanneer burgers niet alleen mogen meepraten, maar ook kunnen terugzien hoe hun inbreng het uiteindelijke beleid beïnvloedt. Het Directoraat Cultuur lijkt zich bewust van de tekortkomingen van het huidige systeem. De erkenning dat beleid dichter bij de samenleving moet staan, vormt een belangrijke stap. De echte uitdaging ligt echter niet in het organiseren van meer gesprekken, maar in het omzetten van die gesprekken in zichtbaar beleid, meetbare resultaten en blijvende investeringen. Zolang de uitvoering achterblijft bij de uitgesproken ambities, blijft de belofte van een inclusiever cultuurbeleid vooral een toekomstvisie. De samenleving wacht niet alleen op nieuwe krutu’s, maar vooral op bewijs dat inspraak daadwerkelijk leidt tot verandering.
Bron: Ryaen La Rose | Suriname Herald
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com