Met de nieuwe nadruk van de regering op landbouw, voedselzekerheid en internationale samenwerking schuift de agrosector opnieuw naar voren als belofte voor Suriname, maar dit keer mag het geen beleidsrefrein blijven dat na elke regeringswisseling wordt herhaald. President Jennifer Simons stelt dat landbouw vanaf het begin een hoofdlijn van haar beleid is geweest, met investeringen in productie, export, infrastructuur en praktische begeleiding van boeren. Die ambitie klinkt mooi, maar de werkelijke toets ligt niet in toespraken, maar in water, machines, afzet, financiering en de vraag of producenten eindelijk kunnen werken zonder elke droge periode opnieuw in paniek te raken.
De president erkent dat het ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij bij de start van de nieuwe departementsleiding in zware problemen verkeerde. Er waren bestuurlijke spanningen, directeuren moesten worden aangehouden, machines ontbraken en het ministerie functioneerde volgens haar niet als een instelling die snel productie kon aanjagen. Dat is een harde vaststelling, omdat een land dat meer wil produceren, niet kan bouwen op een ministerie dat eerst zelf uit wanorde moet worden gehaald.
Toch probeert de regering inmiddels de beweging naar productie zichtbaar te maken. Het Markoesa Outgrowers Project, dat op 23 april 2026 in Groningen, Saramacca, werd gelanceerd, moet bijdragen aan nationale productie en biedt telers praktische begeleiding binnen een georganiseerde keten. Volgens overheidsinformatie participeren ruim vijftig telers, die kort na de lancering ook praktisch zijn ingewijd tijdens een veldbezoek aan markoesavelden in Saramacca.
Dat project is belangrijker dan alleen Markoesa, want het laat zien dat landbouw pas echt economisch wordt wanneer training, begeleiding, plantmateriaal, afzet en ondernemerschap in één traject worden geplaatst. Een boer die alleen wordt aangespoord om te planten, maar geen marktzekerheid, technische ondersteuning of verwerkingsketen heeft, wordt geen producent in een moderne economie, maar blijft gevangen in risico.
De aangekondigde reis van een regeringsdelegatie naar Brazilië past in dezelfde poging om landbouwbeleid uit de kleine schaal te trekken. Brazilië heeft ervaring met grootschalige landbouw, irrigatie, agro-industrie, onderzoek, mechanisatie en exportketens, waardoor samenwerking nuttig kan zijn wanneer Suriname niet alleen protocollen tekent, maar kennis praktisch vertaalt naar districten, boerenorganisaties en jonge ondernemers. Internationale samenwerking heeft pas waarde wanneer zij niet eindigt in foto’s en delegatieverslagen, maar zichtbaar wordt in betere drainage, sterkere productie, meer verwerking en minder importafhankelijkheid.
De zwaarste test ligt echter in Nickerie, waar de Wakay-pompen en de bredere waterinfrastructuur al jaren symbool staan voor verwaarlozing. Simons wil de pompen volledig vernieuwen en de waterhuishouding in het district aanpassen, met technische uitwerking binnen ongeveer een maand en daarna een aanbesteding voor nieuwe pompen en andere voorzieningen. Dat tempo is ambitieus, maar noodzakelijk, omdat Nickerie zonder betrouwbare watervoorziening geen rijstdistrict van de toekomst kan zijn.
De betrokkenheid van lokale en buitenlandse deskundigen, waaronder Nederlandse expertise op het gebied van waterbeheer, kan verstandig zijn wanneer Suriname zelf de regie houdt. Nederland heeft kennis van watermanagement, maar Nickerie vraagt niet alleen ingenieurslogica, omdat boeren daar leven met slib, regenritmes, kanalen, pompen, verzilting, onderhoudsachterstand en politieke traagheid. Gemengde teams kunnen dus nuttig zijn, zolang zij niet alleen ontwerpen maken, maar ook luisteren naar gebruikers die precies weten waar het water stokt.
De president wil binnen anderhalf tot twee jaar nieuwe waterwerken in Nickerie gerealiseerd hebben. Daarna wil de regering ook de wet op de waterschappen aanpassen, zodat gebruikers mede bijdragen aan onderhoud. Dat is bestuurlijk logisch, maar pas eerlijk nadat de overheid het systeem eerst op orde heeft gebracht, omdat boeren niet kunnen betalen voor onderhoud aan infrastructuur die jarenlang door slecht bestuur is verwaarloosd.
Suriname heeft in landbouw geen gebrek aan grond, regen, zon of historische ervaring, maar aan uitvoeringsdiscipline. De komende jaren moeten landbouwinvesteringen daarom worden gekoppeld aan meetbare doelen, zoals hectares met betrouwbare irrigatie, aantal functionerende pompen, exportvolumes, lokale verwerking, jeugddeelname, afzetcontracten en daling van import van basisproducten. Een agrobeleid dat zulke cijfers niet goed volgt, blijft kwetsbaar voor mooie woorden en tijdelijke projecten die verdwijnen zodra de politieke aandacht verschuift.
De agrosector kan een tweede motor onder de economie worden, naast olie, goud en diensten, maar alleen als de regering de basis eindelijk serieus aanpakt. Water in Nickerie, ketenvorming in Saramacca, samenwerking met Brazilië en deskundige ondersteuning uit waterlanden kunnen samen een sterke richting vormen. De vraag is niet meer of Suriname landbouw belangrijk vindt, maar of het land ditmaal de infrastructuur, instituties en discipline kan leveren die boeren al jaren nodig hebben.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com