De bouw van een nieuwe hoofdzetel voor het ministerie van Regionale Ontwikkeling (RO) wordt door minister Miquella Huur als een dringende prioriteit gepresenteerd. Een ministerie dat verantwoordelijk is voor regionale ontwikkeling, decentralisatie en bestuur in de districten hoort immers over een adequate werkomgeving te beschikken. Maar achter de ambitie voor een modern, duurzaam en efficiënt gebouw schuilt een veel groter probleem, het ministerie kampt niet alleen met een huisvestingscrisis, maar met een structurele bestuurlijke achterstand. Sinds het voormalige hoofdkantoor aan de Roseveltkade in 2024 door zware rukwinden verloren ging, zijn medewerkers over verschillende locaties verspreid geraakt. Inmiddels werkt een groot deel van het ministerie aan de Crommelinstraat, in een gebouw dat oorspronkelijk niet was ontworpen voor een bezetting van meer dan 200 medewerkers. Dat is geen tijdelijke ongemakkelijkheid meer. Het is het zichtbare bewijs van een overheid die kennelijk onvoldoende voorbereid is op continuïteit wanneer cruciale infrastructuur wegvalt. Dat de situatie al geruime tijd voortduurt, maakt het nog schrijnender.
Een ministerie kan moeilijk geloofwaardig spreken over moderne regionale ontwikkeling wanneer zijn eigen medewerkers onder omstandigheden werken die niet aansluiten bij de omvang en verantwoordelijkheid van de organisatie. De overheid verwacht efficiëntie van haar ambtenaren, maar moet dan ook de voorwaarden creëren waarin die efficiëntie daadwerkelijk mogelijk is. De geplande nieuwe hoofdzetel aan de Zwartehovenbrugstraat moet daarom meer zijn dan een prestigieus gebouw. Een modern kantoor met duurzame voorzieningen, ruime werkplekken en een efficiënte inrichting klinkt aantrekkelijk, maar beton en glas zijn geen bestuursbeleid. Een nieuw gebouw is pas verantwoord wanneer het onderdeel is van een bredere hervorming van de manier waarop Regionale Ontwikkeling functioneert. Het ministerie draagt decentralisatie hoog in het vaandel, terwijl districtscommissarissen van Sipaliwini momenteel in Paramaribo zijn gehuisvest. Dat is een pijnlijk contrast. Een districtscommissaris die het bestuur in een uitgestrekt binnenlands gebied moet vertegenwoordigen, hoort in de eerste plaats aanwezig te zijn in het gebied waarvoor hij of zij verantwoordelijk is.
Bestuur op afstand vanuit Paramaribo staat haaks op het principe van decentralisatie. De terugkeer van de districtscommissarissen naar hun bestuursgebieden is daarom belangrijker dan de bouw van een fraai ministeriegebouw in de hoofdstad. Als de overheid serieus werk wil maken van decentralisatie, moeten niet alleen de kantoren in Paramaribo worden verbeterd, maar vooral de bestuursinfrastructuur in de districten. Commissariaten moeten beschikken over degelijke gebouwen, elektriciteit, communicatievoorzieningen, transportmogelijkheden en andere basisvoorwaarden om hun taken daadwerkelijk uit te voeren. Ook de geplande uitbreiding van Stichting Nyun Combe legt een andere zwakke plek bloot. De stichting vangt onder meer inheemse en Marronfamilies uit het binnenland op die voor rouwrituelen naar Paramaribo komen. Dat de huidige locatie aan de Kleine Saramaccastraat onvoldoende capaciteit heeft, is niet zomaar een logistiek probleem.
Het raakt aan de manier waarop de staat omgaat met mensen uit het binnenland die voor belangrijke culturele en sociale aangelegenheden naar de hoofdstad komen. Een nieuwe locatie met meerdere units kan een verbetering betekenen, maar ook hier geldt dat een gebouw slechts een middel is. De vraag is of de overheid bereid is structureel te investeren in voorzieningen die aansluiten bij de realiteit van de binnenlandse gemeenschappen. Het overleg met de Inter-American Development Bank (IDB) is in dat verband een eerste stap, maar ook een moment waarop voorzichtigheid geboden is. Projectvoorstellen moeten via het ministerie van Financiën en Planning worden ingediend voordat mogelijke IDB-ondersteuning kan worden onderzocht. Dat betekent dat er nog een traject van voorbereiding, beoordeling, financiering en besluitvorming moet worden doorlopen. Daarmee is de afstand tussen een beleidsvoornemen en een daadwerkelijk gerealiseerd project nog aanzienlijk. Suriname kent immers een lange geschiedenis van ambitieuze plannen die stranden in procedures, financieringsvraagstukken, politieke prioriteiten of gebrekkige uitvoering. Het presenteren van prioriteiten is relatief eenvoudig.
De werkelijke test begint wanneer er concrete begrotingen, tijdschema’s, verantwoordelijkheden en meetbare resultaten op tafel moeten komen. Minister Huur heeft terecht gewezen op de noodzaak van structurele huisvesting. Maar het ministerie moet oppassen dat de discussie niet blijft steken bij de stenen. Regionale Ontwikkeling gaat uiteindelijk niet over gebouwen, maar over mensen, districten en de aanwezigheid van de overheid waar die nodig is. Een nieuw hoofdgebouw aan de Zwartehovenbrugstraat kan een noodzakelijke investering zijn. Maar als districtsbestuurders ondertussen vanuit Paramaribo blijven opereren, commissariaten in het binnenland onvoldoende zijn uitgerust en projecten vooral onderwerp blijven van overleg met financiers, verandert er fundamenteel weinig. De echte maatstaf voor Regionale Ontwikkeling wordt daarom niet de moderniteit van het nieuwe ministeriegebouw, maar de vraag of de overheid eindelijk zichtbaar, bereikbaar en effectief aanwezig wordt in de districten. Pas wanneer die omslag daadwerkelijk wordt gemaakt, krijgt de term regionale ontwikkeling inhoud. Tot die tijd dreigt het nieuwe hoofdkwartier vooral een modern jasje te worden voor een bestuursapparaat dat nog steeds worstelt met oude problemen.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com