Achter de indrukwekkende omvang van BRICS schuilt een industriële tegenstelling die de politieke verklaringen over technologische onafhankelijkheid en een nieuwe mondiale machtsorde aanzienlijk minder overtuigend maakt, omdat het blok gezamenlijk ongeveer veertig procent van de mondiale industriële toegevoegde waarde vertegenwoordigt, maar slechts een beperkt aantal leden werkelijk beschikt over de innovatiekracht, digitale technologie en productiecapaciteit waarmee de fabrieken van de toekomst worden gebouwd. De landen hebben energiecentrales, havens, productieclusters, technische opleidingen en snelgroeiende digitale netwerken ontwikkeld, maar slagen er nog onvoldoende in die fundamenten om te zetten in geavanceerde robotica, kunstmatige intelligentie, slimme machines, industriële software en commercieel bruikbare uitvindingen. De volgende industriële strijd wordt daardoor niet beslist door het aantal fabrieken dat een land vandaag bezit, maar door de vraag wie de systemen, chips, machines, data en standaarden beheerst waarmee die fabrieken morgen functioneren.
De Verenigde Naties onderzochten de digitale productiegereedheid van Brazilië, China, Egypte, Ethiopië, India, Indonesië, Iran, Rusland, Saudi Arabië, Zuid Afrika en de Verenigde Arabische Emiraten overwegend gedurende de periode van 2015 tot en met 2022. Voor de internationale handel in geavanceerde digitale productietechnologie konden gegevens tot 2024 worden meegenomen, waardoor het rapport geen momentopname van iedere ontwikkeling in 2026 vormt, maar wel zichtbaar maakt welke structurele vermogens de landen hebben opgebouwd en waar de zwakste schakels blijven liggen. De beoordeling kijkt niet uitsluitend naar internetverbindingen, maar combineert zeventien indicatoren voor energie en digitale infrastructuur, productiecapaciteit, innovatievermogen en directe deelname aan de handel in technologie voor moderne industrie.
BRICS beschikt als geheel over een schaal die geen enkel serieus industriebeleid kan negeren, omdat de elf economieën gezamenlijk ongeveer 39 procent van de mondiale productie vertegenwoordigen, bijna een kwart van de internationale handel verzorgen en rond veertig procent van de wereldwijde industriële toegevoegde waarde leveren. De cijfers wekken de indruk van een blok dat voldoende grondstoffen, arbeidskrachten, kapitaal en afzetmarkten bezit om een zelfstandige technologische macht te vormen. De werkelijke verdeling van de capaciteit toont echter dat gezamenlijke omvang niet hetzelfde is als gezamenlijke controle, aangezien China binnen vrijwel iedere berekening een buitenproportioneel groot aandeel draagt en de overige leden op belangrijke onderdelen vooral afnemers blijven van technologie die elders wordt ontwikkeld.
De sterkste fundamenten bevinden zich bij infrastructuur en bestaande productie, omdat meerdere leden beter presteren dan landen met een vergelijkbaar inkomensniveau op het gebied van elektriciteitsbeschikbaarheid, breedbandverbindingen, technisch onderwijs en industriële investeringen. Saudi Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten beschikken over ruime energievoorziening, China heeft een omvangrijke digitale infrastructuur opgebouwd en verschillende middeninkomenslanden hebben hun connectiviteit zichtbaar verbeterd. Deze prestaties maken verdere digitalisering mogelijk, maar een snelle internetverbinding verandert een traditionele fabriek nog niet in een slimme productieomgeving wanneer sensoren, industriële software, geschoolde operators, betrouwbare machines en onderzoekscapaciteit ontbreken.
Elektriciteitszekerheid vormt tegelijkertijd een vernietigende zwakte voor landen die luid spreken over kunstmatige intelligentie, automatisering en slimme industrie, omdat digitaal aangestuurde productie niet kan functioneren op een netwerk dat regelmatig uitvalt. Bedrijven in Zuid Afrika, India, Indonesië, Egypte en Ethiopië rapporteren aanzienlijke verstoringen van de stroomvoorziening, waarbij Zuid Afrika tijdens de onderzochte periode met 92 procent het hoogste aandeel ondernemingen met elektriciteitsuitval binnen de groep liet zien. Een geautomatiseerde productielijn kan door enkele seconden spanningsverlies worden ontregeld, datacenters vereisen onafgebroken koeling en digitale kwaliteitscontrole verliest haar waarde wanneer machines telkens moeten worden herstart. Een regering kan daarom miljarden besteden aan innovatiecentra en vijfde generatie mobiele netwerken, maar zonder stabiele elektriciteit blijft de vierde industriële revolutie afhankelijk van noodgeneratoren.
De grootste zwakte bevindt zich echter niet in kabels of centrales, maar in het vermogen om kennis om te zetten in verkoopbare producten, nieuwe ondernemingen en concurrerende industriële toepassingen. Verschillende BRICS landen investeren in onderzoek, leiden grote aantallen technici en wetenschappers op en produceren wetenschappelijke publicaties en patenten, maar de verbinding tussen universiteit, laboratorium, financiering en fabriek blijft gebrekkig. Uitvindingen verdwijnen daardoor in rapporten, buitenlandse technologie wordt aangeschaft zonder voldoende lokale kennisopbouw en onderzoeksbudgetten leveren minder nieuwe producten op dan de omvang van de investeringen doet verwachten. Digitale soevereiniteit ontstaat niet doordat een land een robot kan invoeren, maar doordat het de software kan aanpassen, reserveonderdelen kan produceren, beveiligingsproblemen kan oplossen en de volgende generatie van dezelfde technologie zelfstandig kan ontwikkelen.
Rusland en China behoren tot de sterkste leden op het gebied van innovatiecapaciteit, terwijl China en de Verenigde Arabische Emiraten vooroplopen in directe digitale capaciteiten. India valt op door de breedste vooruitgang onder de lagere middeninkomenslanden, omdat het in alle vier onderzochte dimensies groei liet zien. Deze ontwikkeling sluit aan bij de prioriteiten van het Indiase BRICS voorzitterschap in 2026, dat innovatie, digitale publieke infrastructuur, kunstmatige intelligentie, financiële technologie en kennisuitwisseling centraal stelt. De Indiase agenda kan echter pas geloofwaardig worden wanneer de samenwerking verder gaat dan conferenties en proefprojecten en daadwerkelijk leidt tot gezamenlijke onderzoeksprogramma’s, toegankelijk kapitaal en technologieoverdracht naar kleinere producenten.
China’s positie legt de werkelijke machtsverhouding binnen het blok genadeloos bloot, omdat het land in 2024 meer dan negentig procent van de BRICS export van geavanceerde digitale productietechnologie voor zijn rekening nam. Het aandeel bedroeg ongeveer 86,4 procent bij instrumenten, 97,9 procent bij onderdelen en 93,4 procent bij eindproducten, waardoor China als enige BRICS economie een materiële invloed uitoefent op de mondiale productie en handel in deze technologieën. De andere landen kunnen gezamenlijk politieke verklaringen afleggen over een nieuwe industriële revolutie, maar blijven voor belangrijke apparatuur, componenten en kennis afhankelijk van één dominante leverancier binnen hun eigen samenwerkingsverband.
De Verenigde Arabische Emiraten nemen een andere positie in, omdat zij dankzij kapitaal, infrastructuur en strategische importen uitgroeien tot een belangrijk centrum voor de aanschaf en verspreiding van geavanceerde technologie. Het land presteert sterk bij de invoer van digitale productiemiddelen en gebruikt zijn havens, logistiek, investeringsfondsen en zakelijke omgeving om nieuwe technologie snel beschikbaar te maken. Importkracht blijft echter iets anders dan technologische zeggenschap, aangezien een economie die moderne machines kan kopen nog niet automatisch de intellectuele eigendomsrechten, productieprocessen en gespecialiseerde kennis bezit waarmee die machines worden ontworpen.
Het rapport concludeert daarom dat de meeste BRICS landen hoofdzakelijk gebruikers en geen producenten van geavanceerde digitale technologie zijn, waardoor het blok binnen de mondiale digitale productieketen dezelfde asymmetrie dreigt te reproduceren die het in de internationale financiële en politieke orde bekritiseert. Grondstoffen kunnen uit Afrika en het Midden Oosten komen, onderdelen kunnen in Azië worden vervaardigd en markten kunnen over het volledige mondiale Zuiden worden verspreid, maar de hoogste winsten blijven terechtkomen bij de ondernemingen die software, patenten, chips, industriële standaarden en technische platforms beheersen. Een land dat uitsluitend machines importeert kan zijn productie verhogen, maar blijft kwetsbaar voor exportbeperkingen, prijsschokken, licentievoorwaarden en geopolitieke druk.
Kleine en middelgrote ondernemingen dreigen binnen deze ontwikkeling opnieuw achter te blijven, omdat veel digitaliseringsprogramma’s zich beperken tot boekhoudsoftware, elektronische betalingen, online verkoop en eenvoudige bedrijfsadministratie. Industriële digitalisering vraagt veel zwaardere investeringen in computergestuurde machines, sensoren, robotica, data analyse, kwaliteitscontrole, cyberbeveiliging en training van operators. Grote ondernemingen kunnen daarvoor gespecialiseerde adviseurs aantrekken en krediet verkrijgen, maar kleinere fabrikanten beschikken vaak niet over voldoende kapitaal om een productielijn tijdelijk stil te leggen en volledig te moderniseren.
De voorgestelde oplossing bestaat uit gespecialiseerde programma’s waarmee kleinere producenten hun digitale volwassenheid kunnen laten beoordelen, gezamenlijk gebruik kunnen maken van onderzoeksfaciliteiten en tegen lagere kosten toegang krijgen tot machines, software en technische ondersteuning. BRICS beschikt met het actieplan voor kleine en middelgrote ondernemingen, het partnerschap voor de nieuwe industriële revolutie en het in 2025 opgerichte centrum voor industriële competenties over platforms die deze samenwerking kunnen organiseren. De waarde van die instellingen zal echter niet worden bepaald door het aantal bijeenkomsten, maar door de hoeveelheid technologie die werkelijk bij fabrieken terechtkomt en de mate waarin achterblijvende landen eigen kennis en productiecapaciteit opbouwen.
Vijfde generatie mobiele netwerken worden in het rapport terecht als belangrijke voorwaarde genoemd, omdat slimme fabrieken grote hoeveelheden informatie met minimale vertraging moeten uitwisselen tussen machines, magazijnen, voertuigen en controlesystemen. Nationale telecomstrategieën zijn echter dikwijls gericht op consumenten en stedelijke gebieden, terwijl industrieterreinen, havens en landbouwverwerkingszones onvoldoende betrouwbare verbindingen krijgen. Een gericht beleid moet digitale netwerken daarom koppelen aan productielocaties en tegelijkertijd investeren in elektriciteitsnetten, cloudinfrastructuur, datacenters en beveiligde industriële communicatie.
Cybersecurity verdient daarbij dezelfde prioriteit als machines en connectiviteit, omdat iedere verbonden productielijn een nieuw aanvalsvlak creëert. Een digitale fabriek kan efficiënter produceren, maar kan eveneens door ransomware, manipulatie van sensoren, gestolen ontwerpen of sabotage van besturingssystemen volledig tot stilstand worden gebracht. Minimale beveiligingsnormen, incidentrespons, toegangscontrole en continuïteitsplannen moeten daarom voorwaarden worden voor iedere onderneming die publieke steun ontvangt. Technologische modernisering zonder beveiliging verandert productiviteit in afhankelijkheid en maakt nationale industrie vatbaar voor buitenlandse spionage en digitale afpersing.
De waarschuwing tegen afhankelijkheid van een beperkt aantal leveranciers raakt de kern van de BRICS ambitie, omdat een blok dat Westerse technologische dominantie wil verminderen weinig bereikt wanneer het die afhankelijkheid uitsluitend vervangt door een nieuwe concentratie rond één land of onderneming. Open standaarden, uitwisselbare systemen en lokale leveranciers moeten voorkomen dat fabrieken jarenlang gebonden raken aan software, reserveonderdelen en licenties van een aanbieder. Samenwerking moet leiden tot verspreiding van kennis en niet tot een hiërarchie waarin enkele leden technologie exporteren en de rest permanent blijft betalen voor toegang.
De beleidmakers in Suriname kunnen uit deze industriële machtsstrijd afleiden dat snelle internetverbindingen en losse digitaliseringsprojecten geen vervanging vormen voor een samenhangend productiebeleid. Toekomstige olie inkomsten kunnen worden gebruikt voor betrouwbare elektriciteit, moderne industrieterreinen, technisch onderwijs, onderzoek, cyberbeveiliging en gezamenlijke faciliteiten waar lokale ondernemingen toegang krijgen tot automatisering, voedseltechnologie, data analyse en moderne machines. Samenwerking met BRICS landen kan waardevol zijn, maar contracten moeten kennisoverdracht, lokale opleiding, open standaarden en onderhoudscapaciteit afdwingen, omdat het importeren van glanzende technologie zonder eigen deskundigheid slechts een duurdere vorm van afhankelijkheid creëert.
BRICS bezit voldoende omvang om een nieuw centrum van industriële macht te worden, maar het rapport maakt duidelijk dat schaal alleen geen revolutie veroorzaakt wanneer innovatie geconcentreerd blijft, elektriciteitsnetten falen en de meeste landen moderne technologie hoofdzakelijk invoeren. De groep kan de digitale kloof met het Westen verkleinen, maar moet daarvoor eerst de digitale kloof binnen de eigen gelederen aanpakken. Zolang China vrijwel alleen de geavanceerde technologie exporteert, de Verenigde Arabische Emiraten haar vooral kunnen kopen en andere leden moeite hebben hun onderzoek naar commerciële producten te vertalen, spreekt BRICS met de stem van een technologisch blok maar produceert het nog als een verzameling zeer ongelijke economieën.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com