In Belém kiest de Canadese oceaanbeschermer Paul Watson opnieuw het ruime sop van het debat en verlegt hij de aandacht van de bossen naar de oceaan, waar minuscuul leven zoals fytoplankton en krill het ademritme van de planeet mee bepaalt. De oprichter van Sea Shepherd, inmiddels actief via zijn eigen Captain Paul Watson Foundation, gebruikt de VN-klimaattop om twee fronten te openen: een harde waarschuwing tegen diepzeemijnbouw en een aanklacht tegen de snel groeiende krilindustrie op de Zuidelijke Oceaan. Reuters sprak hem deze week aan boord van zijn schip in de havenstad van de Amazone.
Japan stopte in 2019 met de omstreden Antarctische walvisjacht na de baanbrekende uitspraak van het Internationaal Gerechtshof, maar hervatte binnen de eigen wateren commerciële vangst na de exit uit de IWC. De rode draad is volgens Watson onveranderd: druk op mariene voedselketens neemt toe, en wat onder water gebeurt, zien we te weinig tot het misgaat.
Op de Zuidelijke Oceaan ligt de spreekwoordelijke lont bij het krill. De internationale beheercommissie CCAMLR hanteert een bovengrens van 620 duizend ton per seizoen in het drukst bevaarde gebied rond het Antarctisch Schiereiland, een limiet die dit jaar voor het eerst de facto de visserij vervroegd zou stilleggen door een recordvangst. Het beeld is duidelijk: vraag naar olie en diervoeder drijft industriële trawlers, met Noorwegen als dominante vlag, richting kwetsbare hotspots van pinguïns en baleinwalvissen.
Watson kondigt aan de Noorse krilvangst juridisch te willen uitdagen zodra het nieuwe Hoge-Zeeënverdrag van kracht is. Let wel op de kalender: het verdrag treedt pas in werking nadat zestig landen het hebben geratificeerd, met huidige projecties richting begin 2026, niet in januari zoals vaak wordt aangenomen. Tot die tijd blijft druk van NGO’s en kuststaten de belangrijkste rem op ecologische overbelasting.
Ondertussen blijft de activist persona non grata voor Tokio om oudere aanklachten rond acties tegen walvisvaarders, maar Interpol verwijderde eerder dit jaar het internationale signaal. Dat maakt een arrestatie in Brazilië weinig waarschijnlijk, al blijft de diplomatieke schaduw meereizen.
Voor een kuststaat met een uitgestrekte exclusieve economische zone en ambities in blauwe economie kan Suriname deze case goed analyseren. De mondiale regels die in Belém en New York worden gesmeed, bepalen straks ook de lat voor lokale visserij, mariene bescherming en eventuele diepzee-ambities. Wie export wil laten groeien en tegelijk “carbon-negatief” wil blijven, bouwt nu aan meetnetten voor biodiversiteit, scherpt toezicht op industriële trawls aan en sluit aan bij regionale posities binnen CARICOM die voorzichtigheid eisen rond mijnbouw op de zeebodem. Subtiel meeprofiteren kan door Surinaamse kennisinstellingen te koppelen aan krill- en planktononderzoek en door in haven- en scheepvaartbeleid ruimte te maken voor strakkere naleving en transparantie. Dat is geen activisme maar risicomanagement, in lijn met waar de internationale onderhandelingen naartoe bewegen.