Meer dan 130 deelnemers bereikt tijdens een technische missie, vrouwen en jongeren. Kassenteelt, klimaatslimme landbouw, digitale sensoren en technische ondersteuning. Maar achter de keurige cijfers en diplomatieke formuleringen ligt een veel hardere werkelijkheid, Suriname heeft vooral behoefte aan landbouwbeleid dat daadwerkelijk leidt tot duurzame productie, hogere opbrengsten en minder afhankelijkheid van import. De Food and Agriculture Organization of the United Nations (FAO) en het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij (LVV) voerde een technische missie uit in Wanica, Brokopondo, Powakka en Nickerie. Onder leiding van FAO Protected Agriculture Specialist Jervis Rowe kregen landbouwers en andere betrokkenen technische kennis over kassenteelt, kasbeheer en klimaatslimme landbouw. De missie bereikte ruim 130 deelnemers. Ongeveer 58 procent was vrouw en 21 procent jongeren. Dat zijn cijfers die in een projectrapport uitstekend staan. Ze bewijzen echter nog niet dat de Surinaamse landbouw sterker uit deze missie komt.
Want kennisoverdracht is één ding. Het daadwerkelijk toepassen ervan is iets anders. Een landbouwer kan leren hoe ventilatie in een kas moet worden verbeterd, welk insectengaas geschikt is en hoe eenvoudige technologie kan worden gebruikt. Maar als materialen te duur zijn, betrouwbaar water niet beschikbaar is, financiering ontbreekt en afzetmarkten onzeker zijn, blijft die kennis grotendeels theoretisch. Dan verandert een technische missie uiteindelijk in een reeks workshops met goede bedoelingen, certificaten en rapportages, terwijl de structurele problemen blijven bestaan. In Wanica en Brokopondo werden bestaande kaslocaties technisch beoordeeld. Er werd gekeken naar ventilatie, afdekmaterialen, insectengaas en klimaatbeheersing. Dat is nuttig, maar tegelijkertijd een herinnering aan een structurele zwakte binnen landbouwprojecten, er worden regelmatig voorzieningen gebouwd of beschikbaar gesteld, waarna pas later wordt vastgesteld dat onderhoud, technische kennis of geschikte materialen ontbreken.
De vraag is daarom niet alleen hoeveel kassen er zijn of hoeveel mensen een training hebben gevolgd. De echte maatstaf moet zijn hoeveel kassen na één, twee of drie jaar nog daadwerkelijk produceren, hoeveel boeren hun opbrengst hebben verhoogd en hoeveel gezinnen dankzij deze investeringen een stabieler inkomen hebben. Powakka vormt in dat opzicht een interessant voorbeeld. Daar werd samen met de dorpsleiding en een vrouwengroep gekeken naar een toekomstige kas en nursery opzet. Locatie, water, infrastructuur en technische haalbaarheid werden besproken. Dat klinkt veelbelovend, maar een haalbaarheidsbeoordeling is nog geen landbouwproductie. Tussen een sitebezoek en een succesvolle onderneming ligt een lange weg van financiering, organisatie, beheer, markttoegang en continuïteit. Ook de digitale sensor in Nickerie bij de KVGP Coöperatie verdient aandacht. Technologie kan landbouwers helpen betere beslissingen te nemen en kasomstandigheden nauwkeuriger te monitoren. Maar één sensor maakt een sector nog niet digitaal of klimaatslim.
Technologie heeft pas waarde wanneer boeren ermee kunnen werken, wanneer de apparatuur onderhouden kan worden en wanneer de informatie daadwerkelijk leidt tot betere productie en hogere inkomsten. De missie bracht bovendien de beschikbaarheid van materialen en inputs op de lokale markt in kaart. Dat is misschien wel een van de belangrijkste onderdelen van het hele bezoek. Een klimaatslim landbouwmodel dat afhankelijk is van materialen die lokaal nauwelijks verkrijgbaar of onbetaalbaar zijn, is uiteindelijk niet klimaatslim en zeker niet duurzaam. Daarom moet Suriname oppassen voor een bekende valkuil, buitenlandse projecten leveren kennis, technische expertise en tijdelijke ondersteuning, maar zodra de projectperiode voorbij is, valt de sector terug in dezelfde problemen. Als de financiering van Canada via Global Affairs Canada en de ondersteuning van FAO uiteindelijk verdwijnen, moet blijken of Surinaamse instellingen en landbouwers zelfstandig verder kunnen. Het ministerie moet ervoor zorgen dat technische kennis niet blijft steken in projectrapportages.
Er moeten concrete opvolgingsmechanismen komen, meetbare productiedoelen en structurele begeleiding van landbouwers. Niet alleen tijdens een missie, maar ook maanden en jaren daarna. De 130 deelnemers zijn dus geen eindresultaat. Zij zijn hooguit het begin. Suriname kan zich geen landbouwbeleid veroorloven dat succes afmeet aan het aantal trainingen of deelnemers. Het succes moet zichtbaar worden op het veld, in productie, inkomen, voedselzekerheid, exportmogelijkheden en minder afhankelijkheid van import. De technische missie heeft waarde. De kennis is relevant. De betrokkenheid van vrouwen en jongeren is positief. Maar uiteindelijk telt slechts één ding, wat blijft er daadwerkelijk over nadat de experts zijn vertrokken? Als de kassen blijven draaien, de productie stijgt en boeren zelfstandig verder kunnen, heeft de missie betekenis gehad. Als vooral rapporten, foto’s en statistieken over deelnemers achterblijven, was het opnieuw een project dat vooral goed klonk op papier. Suriname heeft inmiddels genoeg mooie landbouwverhalen. Het wordt tijd voor aantoonbare resultaten.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK en Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com