Met een sprong van 1,62 megawatt naar bijna 17,5 megawatt wil Guyana aantonen dat de economische groei van het land niet uitsluitend langs de kust, rond olievelden en in bestuurskantoren terechtkomt. President Irfaan Ali presenteert de uitbreiding van elektriciteit in inheemse gemeenschappen als een energierevolutie, gedragen door waterkracht, zonneparken en zonnepanelen bij huishoudens. Daarmee groeit de beschikbare capaciteit volgens de regering ruim tienvoudig, een ontwikkeling die afgelegen dorpen minder afhankelijk moet maken van diesel, duisternis en vertrek naar de kust.
Een eerdere officiële opgave meldde voor 2026 een capaciteit van 16,35 megawatt, tegenover 1,62 megawatt in 2020. Dat is een stijging van 909 procent. De recent genoemde grens van bijna 17,5 megawatt wijst op verdere uitbreiding, maar laat ook zien waarom overheden niet alleen grote percentages moeten presenteren, maar duidelijk moeten maken welke installaties operationeel zijn, welke nog in aanbouw zijn en hoeveel huishoudens daadwerkelijk betrouwbare elektriciteit ontvangen.
Meer dan 11 miljard Guyanese dollar zou zijn besteed aan energievoorziening in dorpen in het binnenland. Zonneparken, kleine waterkrachtinstallaties, lokale netten en afzonderlijke zonne systemen moeten niet alleen lampen laten branden, maar ook de basis leggen voor zorgposten, onderwijs, internetverbindingen, koeling van medicijnen en kleinschalige bedrijvigheid. Elektriciteit is in zulke gemeenschappen geen comfortproduct, maar een voorwaarde om een economie op te bouwen die niet afhankelijk is van een enkele boot, generator of overheidstransport.
De sociale betekenis is minstens zo groot als de technische. Jongeren die leraar, verpleegkundige, technicus of ondernemer willen worden, hoeven minder snel te kiezen tussen opleiding en vertrek uit hun eigen gemeenschap wanneer er betrouwbare stroom, digitale toegang en basisvoorzieningen beschikbaar zijn. Een dorp dat na zonsondergang stilvalt, verliest niet alleen productieve uren, maar ook mensen, kennis en toekomstmogelijkheden aan de steden langs de kust.
Guyana stelt dat de investeringen bewust niet zijn getoetst aan de gebruikelijke commerciële maatstaven van rendement en terugverdientijd. Dat uitgangspunt is verdedigbaar, omdat de markt een afgelegen dorp met weinig afnemers zelden zelf van moderne infrastructuur voorziet. Toch ontslaat sociale investering de overheid niet van de plicht om resultaten te meten. De juiste vraag is niet alleen hoeveel geld is uitgegeven, maar ook hoeveel storingen zijn verminderd, hoeveel bedrijven zijn ontstaan, hoeveel zorgdiensten zijn verbeterd en of lokale gemeenschappen de installaties kunnen onderhouden wanneer externe aannemers vertrekken.
In de bredere ontwikkelingsagenda zegt de regering ruim 41,7 miljard Guyanese dollar in vijf jaar te hebben geïnvesteerd in inheemse dorpen en gemeenschappen. Daaronder vallen middelen uit het Amerindian Development Fund, herstelde presidentiële toelagen en financiering vanuit de Low Carbon Development Strategy. Via deze strategie wordt een deel van de inkomsten uit koolstofkredieten ingezet voor dorpsgestuurde projecten, waarbij inmiddels meer dan 1300 initiatieven zijn gestart. De uitdaging ligt niet in het aantal projecten, maar in de vraag of zij na de politieke aankondiging blijven functioneren, lokale inkomsten opleveren en niet vervallen tot kapotte apparatuur zonder reserveonderdelen of technische kennis.
De achterlandstrategie staat naast de veel grotere energieplannen aan de kust, want het gas naar energieproject bij Wales moet op termijn honderden megawatts aan nieuwe capaciteit leveren, de kosten van elektriciteit verlagen en de industriële basis versterken. Die combinatie maakt Guyana bijzonder. Het land probeert tegelijk gas te gebruiken voor snelle economische groei en zonne energie, waterkracht, biomassa en andere bronnen uit te bouwen voor een minder afhankelijk en breder energiesysteem. Het risico ontstaat wanneer de nationale megaprojecten alle aandacht krijgen en kleine dorpsnetten opnieuw moeten wachten op onderhoud, uitbreiding of vervanging.
Suriname kan hieruit meenemen dat een energiebeleid pas geloofwaardig wordt wanneer het niet alleen grote centrales en toekomstige olieopbrengsten toont, maar ook zichtbaar maakt wat er gebeurt in dorpen, binnenlandse gebieden, zorgposten en scholen die vandaag nog met onzekere stroom werken. Lokale zonne oplossingen, technische opleiding en onderhoudsplannen kunnen daar sneller verschil maken dan jarenlange beloften over een centrale die nog gebouwd moet worden.
Guyana heeft met deze uitbreiding een belangrijke stap gezet, maar elektriciteit wordt pas ontwikkeling wanneer een lichtpunt ook leidt tot onderwijs, werk, zorg en ondernemerschap. Megawatts zijn meetbaar, waardigheid niet, maar precies daar moet de werkelijke opbrengst van iedere publieke investering worden gevonden.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com