De werknemers van de Regionale Gezondheidsdienst (RGD) krijgen vanaf eind september een nieuwe salarisregeling. De werkelijkheid is aanzienlijk minder rooskleurig. Achter de aangekondigde salarisverhoging schuilt opnieuw een bekend probleem binnen het Surinaamse overheidsbeleid, afspraken worden gemaakt, verwachtingen worden gewekt, maar wanneer de rekening daadwerkelijk op tafel komt, blijkt het geld er niet volledig te zijn. Minister André Misiekaba van Volksgezondheid, Welzijn en Arbeid (VWA) heeft zelf toegegeven dat de financiële ruimte onvoldoende is om het principeakkoord voor de cao 2026 in één keer uit te voeren. Voor het volledige pakket is volgens de minister SRD 115 miljoen nodig. Op de begroting is slechts SRD 80 miljoen beschikbaar. Dat betekent een tekort van SRD 35 miljoen. Het verschil is niet marginaal. Het gaat om tientallen miljoenen Surinaamse dollars die niet beschikbaar zijn op het moment dat de regering wel afspraken heeft gemaakt met werknemers. Daarmee wordt opnieuw zichtbaar hoe ver politieke toezeggingen en de financiële realiteit soms uit elkaar liggen. Misiekaba verklaarde tijdens het persmoment voorafgaand aan de vergadering van de Raad van Ministers dat hij bijna achterover viel toen het principeakkoord aan hem werd voorgelegd. Die uitspraak zegt veel over de manier waarop het akkoord kennelijk tot stand is gekomen.
Als een verantwoordelijke minister pas na het bereiken van een principeakkoord geconfronteerd wordt met de omvang van de financiële verplichtingen, rijst vooral het beeld van onvoldoende financiële voorbereiding en gebrekkige afstemming binnen het overheidsapparaat. De voorgestelde cao bevat onder meer een salariscorrectie van 13,5 procent, een eenmalige uitkering en terugwerkende kracht vanaf januari. Voor de werknemers is dat geen luxe, maar een correctie die zij mogen verwachten op basis van gemaakte afspraken. Tegelijkertijd kan de overheid zich niet verschuilen achter het simpele argument dat het geld er niet is. Een regering die onderhandelt, moet vooraf weten wat zij financieel kan dragen. Het meest gevoelige onderdeel is de terugwerkende kracht. De werknemers hebben vanaf januari recht op het verschil dat voortvloeit uit de nieuwe salarisregeling. De bond wil de achterstand binnen vier maanden afgewikkeld zien. Het ministerie wil daar zes maanden van maken. Dat betekent concreet dat werknemers langer moeten wachten op geld waarop zij volgens het afgesproken principe recht hebben. Daar komt de discussie over de lumpsum nog bovenop. De bond wil deze eerder ontvangen, terwijl Misiekaba heeft voorgesteld het bedrag uiterlijk op 21 september uit te betalen. Volgens de minister moeten daarvoor eerst de noodzakelijke procedures via de Raad van Ministers worden afgerond. Dat procedurele argument mag echter niet het zoveelste excuus worden waarmee werknemers worden gevraagd geduld te hebben. Werknemers hebben weinig aan politieke procedures wanneer hun koopkracht al onder druk staat en hun financiële verplichtingen gewoon iedere maand doorgaan.
De regering kiest daarom voor spreiding. Vanaf eind september ontvangen RGD-medewerkers het nieuwe salaris, samen met één maand terugwerkende kracht. Daarna wordt iedere maand een extra deel van de achterstand betaald. Volgens deze planning moet de volledige terugwerkende kracht uiterlijk in februari 2027 zijn weggewerkt. Dat klinkt ordelijk, maar het is in wezen een noodoplossing voor een probleem dat de regering zelf heeft gecreëerd door een akkoord te presenteren zonder dat de volledige financiële dekking beschikbaar is. De uitspraak van Misiekaba, ‘We willen alles, maar we kunnen niet alles krijgen, omdat er niet alles is’. Het is een zin die misschien begrijpelijk klinkt, maar tegelijk een schrijnend waarheid blootlegt. Een overheid kan niet structureel beleid voeren op basis van wensen zonder tegelijkertijd de middelen veilig te stellen. Voor RGD medewerkers betekent dit dat zij opnieuw geconfronteerd worden met onzekerheid. Een salarisverhoging wordt aangekondigd, maar de volledige financiële uitvoering wordt doorgeschoven. Een lumpsum wordt toegezegd, maar pas na bestuurlijke procedures. De terugwerkende kracht wordt erkend, maar wordt in termijnen betaald.
Daarmee ontstaat een patroon waarin de werknemer uiteindelijk degene is die de prijs betaalt van gebrekkige planning. De RGD vervult bovendien een cruciale functie binnen de gezondheidszorg. Juist in een sector waar personeel dagelijks onder hoge druk werkt, zou financiële duidelijkheid geen gunst maar een basisvoorwaarde moeten zijn. De overheid kan niet enerzijds rekenen op gemotiveerde gezondheidswerkers en anderzijds telkens met financiële beperkingen komen wanneer het moment van betalen aanbreekt. Het probleem is dan ook groter dan de SRD 35 miljoen die momenteel ontbreekt. Het gaat om geloofwaardigheid. Een principeakkoord hoort geen vrijblijvende intentieverklaring te zijn. Wanneer werknemers en hun vertegenwoordigers een akkoord sluiten, moet duidelijk zijn hoe en wanneer de afspraken worden uitgevoerd. De RGD medewerkers krijgen uiteindelijk een nieuwe salarisregeling. Maar de manier waarop die wordt uitgevoerd, laat opnieuw zien dat de overheid moeite heeft om haar financiële ambities in overeenstemming te brengen met haar begrotingsrealiteit. Een salarisverhoging die in delen wordt betaald, is misschien financieel noodzakelijk. Maar politiek gezien is het vooral een rekening voor onvoldoende voorbereiding. En zolang die rekening bij de werknemers wordt gelegd, blijft de vraag naar de kwaliteit van het overheidsbeleid nadrukkelijk overeind.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com