About
Mission
We connect journalism, community building and posting to feed society with reliable data and create equal development opportunities.
Vision
We are building a future where transparency, social cohesion and flexible talent combine to create impactful, data-driven decision-making.
About
De onderzoekers van Ko'W' Checking zijn professionals van het AgapeUnit-team die zich richten op onafhankelijke, data gedreven berichtgeving. Via onze eigen platform bieden wij de samenleving betrouwbare en feitelijk onderbouwde informatie, gebaseerd op zorgvuldig onderzoek en verificatie. Ko'W' Checking werkt met een eigen redactie en onderzoeksstructuur. Informatie wordt uitsluitend gepubliceerd na interne controle. Indien nodig corrigeren of brengen wij dieptegang in berichten afkomstig van andere nieuwsbronnen wanneer deze onjuist of onvolledig blijken te zijn. Wij bieden organisaties de mogelijkheid om advertenties en promotionele boodschappen te plaatsen op onze website en via onze sociale mediakanalen. Deze commerciële dienstverlening heeft geen invloed op onze redactionele onafhankelijkheid. Ongeacht de achtergrond of doelstellingen van een organisatie, blijven wij feitelijk en onafhankelijk rapporteren. Wij formuleren onze artikelen naar waarheid en zonder redactionele binding aan commerciële of politieke belangen. Transparantie en integriteit vormen hierbij de basis.

EU geeft de vervuilende industrie meer tijd en noemt het een groene reddingsoperatie

Een Europees klimaatbeleid dat jarenlang werd gebouwd op de simpele gedachte dat vervuiling ieder jaar schaarser en duurder moest worden, krijgt een ingrijpende correctie nu Brussel erkent dat een te snelle afbouw van uitstootrechten niet alleen de CO2 uitstoot kan verminderen, maar ook fabrieken, banen en investeringen uit Europa kan verdrijven. De Europese Commissie wil het emissiehandelssysteem daarom vertragen, zware bedrijven langer gratis rechten geven en tientallen miljarden euro’s beschikbaar stellen voor industriële verduurzaming. De officiële boodschap luidt dat Europa zijn klimaatdoelen niet opgeeft, maar de voorgestelde hervorming laat vooral zien dat economische concurrentiekracht inmiddels even zwaar weegt als de snelheid waarmee vervuiling wordt teruggedrongen.

Het Europese emissiehandelssysteem verplicht energiecentrales, staalfabrieken, cementproducenten, luchtvaartmaatschappijen en rederijen voor iedere uitgestoten ton CO2 een recht in te leveren. Het totale aantal beschikbare rechten wordt jaarlijks verminderd, waardoor uitstoot geleidelijk duurder moet worden en ondernemingen financieel worden aangezet om schonere technologie te gebruiken. Bedrijven die minder uitstoten kunnen overtollige rechten verkopen, terwijl ondernemingen die hun uitstoot niet voldoende verlagen extra rechten moeten kopen. Het systeem bestrijkt ongeveer veertig procent van alle Europese uitstoot en heeft sinds de invoering in 2005 vooral de elektriciteitssector gedwongen kolen te vervangen door schonere energiebronnen.

De hoeveelheid beschikbare uitstootrechten daalt momenteel jaarlijks met 4,3 procent en zou volgens de bestaande koers na 2030 zo snel verdwijnen dat de markt rond 2039 vrijwel zonder nieuwe rechten komt te zitten. Grote industriële installaties zullen tegen die tijd echter nog niet volledig klimaatneutraal zijn, omdat groene waterstof, koolstofopslag, nieuwe elektriciteitsnetten en volledig schone productieprocessen nog onvoldoende beschikbaar of betaalbaar zijn. De Commissie stelt daarom voor de jaarlijkse vermindering vanaf 2031 terug te brengen naar 3,7 procent en vanaf 2036 verder te vertragen tot 1,7 procent. Meer rechten blijven daardoor langer beschikbaar, waardoor ondernemingen meer tijd krijgen om te verduurzamen maar ook langer toestemming behouden om CO2 uit te stoten.

Deze aanpassing vormt geen kleine technische correctie, omdat het tempo waarmee rechten verdwijnen rechtstreeks bepaalt hoe schaars en duur vervuiling wordt. Een lagere jaarlijkse vermindering beperkt de druk op bedrijven die nog geen betaalbaar schoon alternatief hebben, maar verlaagt eveneens de financiële prikkel om investeringen snel uit te voeren. Ondernemingen kunnen besluiten kostbare modernisering uit te stellen wanneer zij verwachten dat voldoende uitstootrechten beschikbaar blijven en de prijs minder sterk stijgt. Brussel probeert daarmee een industriecrisis te voorkomen, maar loopt het risico dat economische bescherming verandert in een beloning voor bedrijven die jarenlang te weinig hebben geïnvesteerd.

De marktreserve die grote overschotten aan uitstootrechten uit het systeem haalt, wordt eveneens verzwakt. Het huidige mechanisme kan jaarlijks 24 procent van de overtollige rechten opnemen of opnieuw vrijgeven wanneer het aanbod ernstig uit balans raakt, maar dat percentage moet volgens het voorstel worden gehalveerd tot twaalf procent. Grote hoeveelheden ongebruikte rechten verdwijnen daardoor minder snel uit de markt, waardoor extreme prijsstijgingen kunnen worden afgeremd maar langdurige overschotten eveneens langer kunnen blijven bestaan. Een koolstofmarkt functioneert alleen wanneer ondernemingen geloven dat uitstootrechten werkelijk schaarser worden, waardoor iedere versoepeling onmiddellijk invloed kan hebben op investeringsbeslissingen.

Europa wil daarnaast internationale koolstofkredieten gebruiken om ongeveer twee procent van de vereiste uitstootvermindering binnen de betrokken sectoren te realiseren. Europese bedrijven en overheden kunnen daarmee een beperkt deel van hun verplichtingen invullen via klimaatprojecten buiten de Unie, in plaats van iedere reductie binnen de eigen fabrieken, centrales en vervoerssystemen te realiseren. Deze opening kan geld sturen naar bosbescherming, hernieuwbare energie en andere klimaatprojecten in ontwikkelingslanden, maar internationale koolstofmarkten hebben jarenlang geworsteld met projecten waarvan de beloofde vermindering moeilijk controleerbaar was. Een krediet heeft weinig klimaatwaarde wanneer een bos ook zonder betaling behouden zou zijn gebleven of wanneer de uitstoot eenvoudig naar een andere locatie verschuift.

De Commissie houdt vol dat het aangepaste systeem nog steeds voldoende moet bijdragen aan het Europese doel om de netto uitstoot in 2040 met negentig procent te verminderen ten opzichte van 1990. Die bewering steunt op de verwachting dat technologische vooruitgang, investeringen en andere klimaatmaatregelen de vertraging binnen het emissiesysteem compenseren. Het probleem ontstaat wanneer schone technologie later beschikbaar komt, bouwprojecten vertraging oplopen of bedrijven de langere overgangsperiode gebruiken om bestaande installaties langer te exploiteren. Klimaatdoelen worden dan niet geschrapt, maar steeds verder naar de toekomst verplaatst totdat toekomstige regeringen veel hardere maatregelen moeten nemen.

De zwaarste industrie krijgt een nog duidelijker tegemoetkoming, omdat gratis uitstootrechten voor sectoren zoals staal en cement tot 2038 beschikbaar moeten blijven in plaats van in 2034 volledig te verdwijnen. Deze rechten werden oorspronkelijk verstrekt om te voorkomen dat Europese bedrijven hun productie verplaatsen naar landen waar geen vergelijkbare koolstofkosten gelden. Verplaatsing zou Europese banen vernietigen zonder de mondiale uitstoot noodzakelijk te verlagen, omdat dezelfde producten vervolgens in minder streng gereguleerde fabrieken worden gemaakt en naar Europa worden teruggevoerd.

Gratis rechten zijn echter jarenlang uitgegroeid tot een omstreden bescherming waarvan ook bedrijven profiteerden die hun verduurzaming onvoldoende versnelden. Sinds de start van het systeem heeft de industrie rechten met een geschatte waarde van ongeveer 250 miljard euro ontvangen, terwijl de uitstoot van zware sectoren veel minder snel daalde dan die van elektriciteitscentrales. Een fabriek die een groot deel van haar rechten kosteloos ontvangt, voelt minder prijsdruk dan een onderneming die iedere ton uitstoot volledig op de markt moet afrekenen.

De nieuwe regeling probeert dit probleem op te lossen door tachtig procent van de gratis rechten vooraf beschikbaar te stellen aan bedrijven die een geloofwaardig plan hebben om in Europa te verduurzamen. De resterende twintig procent wordt pas toegekend nadat de beloofde investeringen daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Ondernemingen moeten daarmee bewijzen dat de publieke bescherming wordt gebruikt voor schonere ovens, elektrische productie, waterstof, energiebesparing of koolstofopvang en niet uitsluitend voor het overeind houden van verouderde installaties.

De tien procent meest efficiënte industriële installaties wordt van deze voorwaarden vrijgesteld, omdat zij al beter presteren dan hun concurrenten en volgens Brussel niet opnieuw moeten worden gestraft voor eerdere investeringen. Deze uitzondering is begrijpelijk, maar maakt de uitvoering complex omdat voortdurend moet worden vastgesteld welke installaties werkelijk tot de beste groep behoren en op basis van welke productieomstandigheden zij worden vergeleken. Een efficiënte fabriek die op goedkope schone elektriciteit draait heeft een ander uitgangspunt dan een installatie in een land met een vervuilend en duur energiesysteem.

Het jaarlijkse tempo waarmee de hoeveelheid gratis rechten via technische prestatiemaatstaven wordt verminderd, moet vanaf 2030 dalen van 2,5 naar twee procent. Een afzonderlijk voorstel moet bovendien al voor de periode van 2026 tot en met 2030 extra gratis rechten mogelijk maken met een gezamenlijke waarde van ongeveer zes miljard euro. De industrie krijgt daardoor niet alleen meer tijd na 2030, maar ook onmiddellijke financiële verlichting tijdens een periode waarin Europese fabrikanten klagen over hoge energieprijzen, zwakke vraag, Amerikaanse subsidies en Chinese concurrentie.

De hervorming verandert eveneens de bestemming van de enorme inkomsten die via de verkoop van uitstootrechten worden opgehaald. Het systeem heeft sinds 2013 ongeveer 260 miljard euro gegenereerd, waarvan naar schatting tachtig procent rechtstreeks naar nationale begrotingen vloeide. Regeringen gebruikten deze inkomsten voor verschillende klimaatprogramma’s, maar eveneens om algemene begrotingstekorten te verkleinen en andere uitgaven te financieren. Slechts ongeveer vijf procent zou uiteindelijk rechtstreeks bij de industrie zijn terechtgekomen, waardoor ondernemingen miljarden aan koolstofkosten betaalden zonder dat een vergelijkbaar bedrag beschikbaar kwam voor de dure technologische omslag die van hen werd verlangd.

Brussel wil lidstaten daarom verplichten minstens de helft van hun toekomstige nationale ETS inkomsten te besteden aan verduurzaming van de eigen industrie. Dit voorstel kan op zware weerstand stuiten van ministers van Financiën die de opbrengsten inmiddels beschouwen als een belangrijke bron voor nationale begrotingen. Een verplichte industriële bestemming verkleint hun ruimte om sociale uitgaven, energiecompensatie, defensie, infrastructuur en schuldenaflossing te financieren. De Commissie probeert de opbrengsten terug te sturen naar de bedrijven die moeten moderniseren, maar verplaatst daarmee het geld weg van andere politieke prioriteiten waarvoor regeringen dezelfde middelen al hadden gereserveerd.

Een nieuw investeringsfonds moet daarnaast worden gevuld met vierhonderd miljoen uitstootrechten die tegen de huidige marktwaarde ongeveer dertig miljard euro kunnen opleveren. Het geld moet vóór 2030 beschikbaar komen voor schone industriële technologie, waarbij ook armere lidstaten toegang moeten krijgen tot projecten die anders financieel buiten hun bereik blijven. De verkoop van zoveel rechten moet zorgvuldig worden verspreid, omdat een plotseling groot aanbod de koolstofprijs kan laten dalen en daarmee de prikkel tot verduurzaming verzwakt. Europa verkoopt dus extra toestemming om te vervuilen om geld op te halen waarmee vervuiling later moet worden verminderd.

Het bestaande Moderniseringsfonds wordt na 2030 voortgezet met 280 miljoen aanvullende rechten en moet armere Europese landen helpen hun energiesystemen, elektriciteitsnetten en industriële infrastructuur te vernieuwen. Oostelijke en zuidelijke lidstaten beschikken vaak over oudere fabrieken, meer fossiele energie en minder nationale financiële ruimte dan rijkere economieën in Noord en West Europa. Een uniforme koolstofprijs raakt deze landen daarom harder, omdat zij grotere investeringen moeten uitvoeren vanuit een zwakkere economische uitgangspositie. Het fonds probeert deze ongelijkheid te corrigeren, maar kan eveneens leiden tot politieke strijd over welke landen, sectoren en projecten voorrang krijgen.

De hervorming reikt verder dan fabrieken en energiecentrales, omdat vluchten vanuit Europa naar bestemmingen tot vijfduizend kilometer afstand onder het emissiesysteem moeten vallen. Vluchten naar steden zoals Istanbul en Dubai worden daardoor geraakt, terwijl veel intercontinentale routes naar de Verenigde Staten, China, Zuidelijk Afrika en het Caribisch gebied buiten de grens blijven. Brussel presenteert deze afstand als een geleidelijke uitbreiding, maar de keuze beschermt lange vluchten die per passagier vaak grote hoeveelheden brandstof gebruiken tegen dezelfde volledige koolstofprijs. De politieke gevoeligheid van internationale luchtvaart en mogelijke conflicten met grote handelspartners heeft daarmee duidelijk meegespeeld.

Luchtvaartmaatschappijen kunnen de extra kosten verwerken in ticketprijzen, routes aanpassen of investeren in efficiëntere vliegtuigen en schonere brandstoffen. De consument zal echter weinig alternatieven hebben wanneer treinverbindingen ontbreken en duurzame vliegtuigbrandstof vele malen duurder blijft dan gewone kerosine. Een koolstofprijs kan gedrag veranderen op korte Europese afstanden, maar wordt vooral een aanvullende heffing wanneer reizigers voor een internationale bestemming geen realistisch vervoersalternatief bezitten.

Schepen vanaf vierhonderd brutoton moeten eveneens onder het ETS vallen, terwijl het systeem momenteel vooral vaartuigen vanaf vijfduizend brutoton omvat. Duizenden kleinere vrachtschepen, offshorevaartuigen en andere commerciële schepen krijgen daardoor nieuwe rapportage en betalingsverplichtingen. De uitbreiding voorkomt dat bedrijven ladingen kunstmatig over kleinere schepen verdelen om koolstofkosten te ontwijken, maar verhoogt tegelijkertijd de administratieve en financiële lasten voor kleinere rederijen die minder middelen hebben voor emissiemeting en nieuwe technologie.

Europese scheepvaartregels kunnen indirect doorwerken in internationale vrachtprijzen, omdat rederijen kosten verdelen over routes, klanten en vervoerde goederen. Kleine economieën die afhankelijk zijn van ingevoerde machines, medicijnen en voedsel kunnen daardoor gevolgen ondervinden zonder rechtstreeks betrokken te zijn bij de Europese besluitvorming. De klimaatprijs die in Brussel wordt vastgesteld, kan via verzekeringen, brandstoftoeslagen en vrachttarieven uiteindelijk terechtkomen in havens ver buiten Europa.

Afvalverbrandingsinstallaties worden tussen 2031 en 2034 geleidelijk opgenomen in het systeem, waarmee gemeenten en afvalbedrijven voor hun CO2 uitstoot moeten gaan betalen. Lidstaten kunnen de invoering onder voorwaarden tot 2035 uitstellen wanneer zij een nationale koolstofbelasting hebben of voldoende vooruitgang boeken met recycling. De maatregel moet voorkomen dat afvalverbranding een goedkope ontsnappingsroute blijft nadat andere industrieën strengere klimaatkosten krijgen, maar kan gemeentelijke afvaltarieven verhogen wanneer alternatieven zoals recycling en hergebruik onvoldoende ontwikkeld zijn.

De hervorming toont hoe moeilijk het is om klimaatbeleid overeind te houden zodra de eerste relatief eenvoudige uitstootverminderingen zijn gerealiseerd. Elektriciteitsbedrijven konden kolen vervangen door gas, wind en zonne energie, maar staal, cement, luchtvaart, scheepvaart en afvalverwerking beschikken niet over even goedkope en direct beschikbare alternatieven. Iedere volgende ton vermindering vraagt grotere investeringen, nieuwe infrastructuur en technologie die soms nog niet op commerciële schaal bestaat. De koolstofmarkt botst daardoor steeds harder op de fysieke grenzen van een industrie die niet uitsluitend met hogere prijzen kan worden veranderd.

Milieuorganisaties zullen vrezen dat Brussel onder druk van regeringen en industriële lobby’s het meest effectieve Europese klimaatmiddel uitholt. Bedrijven die vroeg investeerden kunnen zich eveneens benadeeld voelen, omdat hun concurrenten langer gratis rechten ontvangen en extra tijd krijgen om achterstanden in te halen. Een onderneming die miljarden besteedde aan schone productie deed dat mede in de verwachting dat vervuiling snel duurder zou worden. Wanneer de regels later worden versoepeld, verdwijnt een deel van het concurrentievoordeel dat die investering moest opleveren.

Industriële bedrijven zullen daartegenover stellen dat klimaatbeleid zijn betekenis verliest wanneer fabrieken sluiten en dezelfde goederen daarna uit landen met hogere uitstoot worden ingevoerd. Europa heeft de uitstoot op eigen grondgebied dan verminderd, maar tegelijk productie, banen en technologische kennis uitgevoerd. Een succesvolle klimaatstrategie moet daarom voorkomen dat de koolstofboekhouding groener wordt terwijl de mondiale atmosfeer nauwelijks voordeel behaalt en de Europese economie structureel verzwakt.

De Europese Commissie probeert met deze hervorming twee botsende werkelijkheden bij elkaar te houden. De Unie wil in 2040 negentig procent minder netto uitstoot realiseren, maar moet tegelijkertijd voorkomen dat hoge energie en koolstofkosten haar industrie versneld uit de markt drukken. Gratis rechten, investeringsfondsen en een tragere vermindering geven bedrijven lucht, maar maken het klimaatpad afhankelijk van de vraag of zij die ruimte werkelijk gebruiken om te moderniseren. Zonder harde controle verandert de overgangsperiode in uitstel en worden toekomstige generaties opgezadeld met een industrie die later nog sneller en duurder moet omschakelen.

De Surinaamse overheid kan door de beperkte opening voor internationale koolstofkredieten nieuwe kansen zien voor bosbescherming en betrouwbare klimaatprojecten, maar alleen wanneer metingen, eigendomsrechten en inkomstenverdeling vooraf juridisch en technisch zijn geregeld. De enorme bosvoorraad mag niet worden verkocht via ondoorzichtige kredieten waarvan buitenlandse ondernemingen de klimaatclaim ontvangen en lokale gemeenschappen nauwelijks voordeel ervaren. Europese regels tonen daarnaast dat koolstofmarkten voortdurend veranderen onder politieke en economische druk, waardoor nationale ontwikkeling nooit afhankelijk mag worden gemaakt van een tijdelijke prijs voor bos of uitstoot. Energie, industrie en toekomstige olie inkomsten moeten worden gebruikt om eigen productiviteit en schone technologie op te bouwen, zodat het land niet uitsluitend leverancier wordt van grondstoffen en compensatiekredieten voor economieën die hun eigen vervuiling langer voortzetten.

Europa noemt de hervorming een evenwicht tussen klimaatambitie en industriële overleving, maar het voorstel geeft vervuilers aantoonbaar meer tijd, meer gratis rechten en meer publieke steun. Die keuze kan noodzakelijk blijken wanneer ondernemingen hun fabrieken werkelijk vernieuwen en productie binnen Europa behouden, maar wordt een historische terugtocht wanneer bedrijven miljarden ontvangen zonder hun uitstoot snel genoeg te verlagen. Het emissiesysteem was bedoeld om ieder jaar minder ruimte voor vervuiling te creëren, maar Brussel kiest voorlopig voor een andere volgorde waarbij de industrie eerst langer mag ademen en pas later moet bewijzen dat zij die extra ademruimte niet opnieuw met CO2 heeft gevuld.

Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com

Total
0
Shares
Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Related Posts
Surinaamse vlag Agape Unit Surinaamse vlag Agape Unit Surinaamse vlag Agape Unit Surinaamse vlag Agape Unit Surinaamse vlag Agape Unit Surinaamse vlag Surinaamse vlag Agape Unit Surinaamse vlag Agape Unit Surinaamse vlag Agape Unit Surinaamse vlag Agape Unit Surinaamse vlag Agape Unit Surinaamse vlag