De discussie over lonen in Suriname wordt steeds ongemakkelijker. Niet omdat mensen niet mogen verdienen wat hun werk waard is, maar omdat de werkelijkheid een pijnlijke tegenstelling blootlegt, een schoonmaker bij een moderne supermarkt kan rond de SRD 21.000 netto per maand verdienen, terwijl een onderwijzer gemiddeld rond de SRD 12.000 bruto ontvangt. Dat verschil is niet alleen een salarisvraagstuk. Het is een spiegel waarin Suriname zijn economische zwakte ziet. Het is begrijpelijk dat er maatschappelijke verontwaardiging ontstaat. De samenleving verwacht terecht dat mensen die kinderen opleiden, kennis overdragen en de toekomst van een land vormen, niet structureel financieel achterblijven bij functies in de commerciële sector. Maar wie alleen naar de lonen kijkt, mist de kern van het probleem. De harde waarheid is, de Surinaamse economie beloont vandaag vooral handel en consumptie, niet kennis, productie en nationale opbouw. Een supermarkt kan hoge lonen betalen omdat het werkt met een snelle geldcyclus. Producten worden ingekocht, ingevoerd, verkocht en binnen korte tijd wordt de marge gerealiseerd. Geld stroomt dagelijks binnen.
Een groot deel van deze producten wordt niet in Suriname geproduceerd. De grondstoffen, fabrieken, technologie, verpakkingen en een groot deel van de toegevoegde waarde bevinden zich buiten onze grenzen. Suriname is vaak de plek waar goederen aankomen en worden verkocht, maar niet waar de grootste economische waarde wordt gemaakt. Terwijl ondernemers in handel en distributie profiteren van snelle omzet, blijft de overheid achter met de zware verantwoordelijkheid voor onderwijs, gezondheidszorg, veiligheid, infrastructuur en bestuur. En die overheid moet dat allemaal financieren vanuit een economie die nog steeds sterk afhankelijk is van grondstoffen, import en beperkte inkomstenbronnen. De overheid is daardoor niet de oorzaak van het lage loon. Zij is het slachtoffer van een economie die onvoldoende waarde creëert. Het salarisverschil tussen een schoonmaker en een onderwijzer is dus geen toevallig incident. Het is een symptoom van tientallen jaren economisch beleid waarin Suriname te weinig heeft geïnvesteerd in productie, verwerking en kennisopbouw. Wij exporteren nog steeds te vaak grondstoffen zoals goud, olie en hout en importeren vervolgens eindproducten terug. De grote economische winst wordt elders gemaakt.
Precies daar waar Suriname zou moeten groeien, verwerking, technologie, industrie, innovatie en vakmanschap, blijven we achter. De vraag die gesteld moet worden is daarom niet, Waarom betaalt een supermarkt meer dan de overheid? Waarom heeft Suriname een economie gebouwd waarin handel aantrekkelijker is dan produceren? Want het antwoord ligt niet in nog een nieuwe commissie, nog een werkgroep of nog een beleidsdocument dat uiteindelijk in een kast verdwijnt. Suriname heeft geen gebrek aan plannen. Suriname heeft een tekort aan uitvoering, discipline en verantwoordelijkheid. Wie importeert en doorverkoopt, heeft uiteraard recht op ondernemerschap en winst. Maar een land moet stoppen met het automatisch behandelen van elke economische activiteit alsof die dezelfde bijdrage levert aan nationale ontwikkeling. Een bedrijf dat lokaal produceert, mensen opleidt, technologie ontwikkelt, exportmogelijkheden creëert en kennis opbouwt, levert een andere bijdrage dan een bedrijf dat uitsluitend goederen importeert en verkoopt. Dat betekent niet dat importeurs moeten worden gestraft. Het betekent wel dat beleid eindelijk moet belonen wat Suriname sterker maakt. Belastingvoordelen, goedkope financiering en versnelde vergunningen zouden gekoppeld moeten worden aan aantoonbare nationale waardecreatie.
Suriname heeft geen behoefte aan een groot bureaucratisch ontwikkelingsapparaat dat overal tegelijk aanwezig wil zijn maar nergens resultaat levert. Wat nodig is, is een kleine, deskundige en harde uitvoeringsorganisatie die zich richt op sectoren waar Suriname daadwerkelijk kansen heeft, agroproductie en voedselverwerking, houtverwerking in plaats van alleen houtkap, technische dienstverlening rond olie en gas, logistiek en regionale productieclusters. Onderwijs moet daarbij niet worden gezien als een kostenpost, maar als de fundering van deze economische verandering. Een land dat zijn leraren slecht betaalt, ondermijnt uiteindelijk zijn eigen toekomst. Zonder goed opgeleide mensen, technische vaardigheden en professionele cultuur blijft elke economische ambitie een lege slogan. De supermarkt laat alleen zien wat er gebeurt wanneer een economie consumptie sneller beloont dan kennis en productie. De echte crisis is dat een land dat afhankelijk is van zijn onderwijzers hen onvoldoende kan waarderen. Zolang Suriname zijn grondstoffen, mensen en kennis niet omzet in een sterke productiebasis, zullen dit soort tegenstellingen blijven bestaan. Wie bouwt eigenlijk de toekomst van Suriname en waarom wordt die persoon minder beloond dan degene die de producten van anderen verkoopt?
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK and Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com