Het nieuwe schooljaar moet in oktober beginnen, maar voor duizenden ouders dreigt de eerste schooldag eerder een bron van onzekerheid dan van vertrouwen te worden. De cijfers die onderwijsminister Dirk Currie in De Nationale Assemblee presenteerde, leggen een schrijnend probleem bloot, Suriname beschikt mogelijk over 4.800 schoolplaatsen minder dan nodig om alle vierjarigen die volgens de bevolkingsregistratie in aanmerking komen voor leerjaar 1 op te vangen. Dat is geen klein logistiek ongemak. Het is een harde waarschuwing over de staat van het onderwijsbeleid en vooral over de mate waarin de overheid erin slaagt vooruit te kijken. Volgens het Centraal Bureau voor Burgerzaken staan 9.244 vierjarigen geregistreerd. Daarvan hebben 4.786 kinderen zich inmiddels aangemeld voor leerjaar 1. Daar tegenover staan slechts 4.444 beschikbare plaatsen op 356 basisscholen. Zelfs zonder dat alle kinderen zijn aangemeld, is de huidige capaciteit dus al ontoereikend. Er zijn nog 4.458 kinderen die zich niet hebben geregistreerd. Als ook zij zich aanmelden, verdwijnt elke mogelijkheid om het probleem als een administratieve afwijking af te doen. Dan wordt zichtbaar hoe groot de kloof werkelijk is tussen de verwachte behoefte en de beschikbare onderwijsinfrastructuur.
De overheid wist immers dat deze kinderen zouden komen. Vierjarigen verschijnen niet plotseling uit het niets. Hun geboorte is geregistreerd, hun bestaan is bekend en hun aantallen kunnen worden geraamd. Toch lijkt het ministerie nu vooral bezig met het dichten van een gat dat al jaren zichtbaar had kunnen zijn. Dat roept ernstige vragen op over de planning, maar belangrijker nog, over de prioriteiten. Het ministerie zegt bezig te zijn met de bouw van scholen en extra lokalen. Dat klinkt positief, maar zolang niet duidelijk is hoeveel extra plaatsen voor oktober daadwerkelijk beschikbaar zijn, blijft het vooral een belofte. Ouders kunnen hun kinderen niet naar een bouwplan sturen. Een klaslokaal dat in november klaar is, lost geen probleem op voor een kind dat in oktober moet beginnen. Extra lokalen zonder voldoende leerkrachten zijn nauwelijks meer dan lege ruimtes. Volgens eerder door Currie verstrekte cijfers kampt het basisonderwijs met aanzienlijke personeelstekorten. In de onderbouw ontbreken 54 leerkrachten en in de bovenbouw 45. Het totale onderwijsveld heeft volgens de minister een tekort van minstens 214 leerkrachten.
De overheid staat daarmee voor een probleem dat veel verder gaat dan stenen en cement. Een school heeft lokalen nodig, maar ook leerkrachten, meubilair, lesmateriaal, sanitaire voorzieningen en een organisatie die de leerlingen daadwerkelijk kan opvangen. Wie alleen naar het aantal gebouwen kijkt, kijkt dus naar slechts een deel van het probleem. En terwijl het ministerie probeert de vierjarigen ergens onder te brengen, wacht een tweede groep op plaatsing. Bij de overgang van leerjaar 8 naar leerjaar 9 moeten ongeveer 2.592 leerlingen worden geplaatst in het voortgezet onderwijs, terwijl daar slechts 1.496 plaatsen beschikbaar zijn. Een tekort van 1.096 plaatsen. Twee grote capaciteitsproblemen tegelijkertijd. Dat zou voor iedere regering aanleiding moeten zijn om het onderwijsbeleid grondig tegen het licht te houden. De situatie laat bovendien zien dat een nationaal gemiddelde weinig zegt over de werkelijkheid van ouders. Een landelijk totaal van beschikbare plaatsen kan op papier voldoende lijken, terwijl een school in een dichtbevolkte wijk volledig vol zit. Een kind heeft niets aan een vrije plaats tientallen kilometers verderop als vervoer, veiligheid en bereikbaarheid niet geregeld zijn. Ook het aangekondigde renovatieprogramma van SRD 560 miljoen verdient daarom kritische aandacht. Renovatie kan noodzakelijk zijn voor veilige en fatsoenlijke scholen, maar renovatie is niet automatisch capaciteitsuitbreiding. Een opgeknapt gebouw creëert niet vanzelf een extra klas en lost geen tekort aan leerkrachten op.
Het probleem is daarmee groter dan het getal 4.800 doet vermoeden. Het gaat om de vraag of de overheid onderwijs behandelt als een structurele verantwoordelijkheid of als een jaarlijks probleem dat vlak voor de start van het schooljaar moet worden opgelost. De komende weken zullen beslissend zijn. Het ministerie moet niet alleen extra capaciteit beloven, maar concreet aantonen hoeveel plaatsen er vóór oktober bijkomen, waar die plaatsen komen, hoeveel leerkrachten beschikbaar zijn en hoe kinderen worden verdeeld. Want achter iedere statistiek zit een kind. Achter iedere ontbrekende schoolplaats staat een ouder die duidelijkheid verwacht van de overheid. Suriname kan zich niet veroorloven dat kinderen buiten de schoolpoort blijven omdat de overheid te laat heeft gerekend. Het tekort van 4.800 plaatsen is daarom niet alleen een capaciteitsprobleem. Het is een confrontatie met de vraag hoeveel waarde het onderwijsbeleid werkelijk hecht aan voorbereiding, planning en verantwoordelijkheid. Als de overheid ieder jaar opnieuw wordt verrast door kinderen die naar school moeten, ligt het probleem niet bij de kinderen. Dan ligt het probleem bij de regering die hadden moeten rekenen.
Volg Ko’W’ Checking voor nieuws, data en meer gesprekken over samenleving, ondernemerschap, leiderschap en ontwikkeling, op de Facebookpagina, TIKTOK en Youtube kanaal. Voor alle nieuws uit Suriname en de wereld check: www.kowchecking.com